<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>Mirjam Vossen</title>
	<atom:link href="http://www.mirjamvossen.com/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://www.mirjamvossen.com</link>
	<description>Just another WordPress weblog</description>
	<lastBuildDate>Fri, 30 Mar 2012 20:13:56 +0000</lastBuildDate>
	<language>en</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
	<generator>http://wordpress.org/?v=3.3.1</generator>
		<item>
		<title>Wie prikt de karikatuur van de hulpcritici door?</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2012/02/wie-prikt-karitatuur-van-de-hulpcritici-door/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2012/02/wie-prikt-karitatuur-van-de-hulpcritici-door/#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 21 Feb 2012 18:07:58 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[artikelen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=843</guid>
		<description><![CDATA[Online discussie &#8216;De staat van de hulp&#8217;, OneWorld, februari 2012 Critici hebben ontwikkelingshulp negatief geframed. Het probleem is niet dat dat gebeurt. Het probleem is dat het voorstanders, ontwikkelingsorganisaties voorop, niet lukt om daar een ander frame tegenover te zetten. Intussen is er een generatie opgegroeid die niet beter weet dat hulp te maken heeft [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2012/02/strijkstok2.jpg"><img class="wp-image-848 alignright" title="strijkstok" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2012/02/strijkstok2.jpg" alt="" width="166" height="197" /></a></strong><em>Online discussie &#8216;De staat van de hulp&#8217;, OneWorld, februari 2012</em></p>
<p><strong>Critici hebben ontwikkelingshulp negatief geframed. Het probleem is niet dat dat gebeurt. Het probleem is dat het voorstanders, ontwikkelingsorganisaties voorop, niet lukt om daar een ander frame tegenover te zetten. Intussen is er een generatie opgegroeid die niet beter weet dat hulp te maken heeft met strijkstokken en diepe zakken. Wie prikt de karikatuur van de hulpcritici door?  </strong></p>
<p>Deze maand onderhandelt het kabinet over verdere bezuinigingen op de overheidsuitgaven. De PVV is er helemaal klaar voor. Wanneer we extra moeten snijden, dan mag ontwikkelingshulp als eerste op het hakblok. Sterker nog: de PVV gaat de eis om 4 miljard te bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking zelfs ‘keihard op tafel leggen’.  Veel Nederlanders zijn het met de partij eens. Tijdens een recente peiling vroeg TNS/Nipo onze landgenoten waarin het kabinet moest snijden, mochten verdere bezuinigingen nodig zijn. Ontwikkelingshulp eindigde bovenaan de lijst.<span id="more-843"></span></p>
<p>Natuurlijk, wanneer het onze eigen portemonnee treft, dan is het hemd nader dan de rok. Dat neemt niet weg dat onder die peiling een forse vertrouwenscrisis schuilgaat. Het Nederlandse publiek gelooft steeds minder in de resultaten van ontwikkelingshulp. Uit NCDO-enquêtes blijkt dat maar liefst driekwart van de landgenoten twijfelt of hulp geven veel zin heeft.<br />
Dat wantrouwen ontstond niet overnacht. Critici van ontwikkelingshulp, de PVV en VVD’er Arend Jan Boekestijn voorop, wisten de hulp de afgelopen jaren in een negatief frame te plaatsen. Daarbij werden ze welwillend geholpen door de media. Niet alleen door de Telegraaf, maar ook door NRC Handelsblad en de VPRO. Hulp is zinloos, zo zegt het beeld. We gaven miljarden en er is nog altijd armoede. Het meeste geld komt op verkeerde plekken terecht. Het blijft of aan de strijkstok hangen van organisaties, of het gaat naar corrupte overheden, die dankzij hulp aan de macht blijven. Bovendien maakt het mensen afhankelijk. Ze leren niets anders dan hun hand ophouden.</p>
<p><strong><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2012/02/vliegtuigje.jpg"><img class="alignleft size-medium wp-image-845" title="vliegtuigje" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2012/02/vliegtuigje-230x300.jpg" alt="" width="230" height="300" /></a>Mond houden</strong><br />
Het probleem is niet dat critici dit frame hebben neergezet. Het probleem is dat de voorstanders, ontwikkelingsorganisaties voorop, er niet in zijn geslaagd om daar een ander frame tegenover te zetten. Integendeel zelfs. Ze gaven critici deels gelijk (hulpafhankelijk is immers een probleem) en ze staken de hand in eigen boezem (misschien zijn we niet transparant genoeg, en ja, er mislukken projecten). Verder hielden ze vooral hun mond: wie geschoren wordt, moet immers stilzitten. Laten we vooral geen olie op het vuur gooien.</p>
<p>Dat blijkt een kardinale vergissing. Een vergissing die lijkt op die van de Democraten in Amerika, die decennialang de ene na de andere verkiezingsnederlaag leden. In zijn boek ‘The Political Brain’ geeft auteur Drew Westen daar een messcherpe analyse van. De nederlagen van de Democraten kwamen niet door hun slechte programma’s: veruit de meeste Amerikanen zijn het met de meeste democratische standpunten eens. Maar de Republikeinen zijn beter in het overtuigen van kiezers. Ze zijn beter in ‘framen’, het presenteren van simpele boodschappen die de emoties raken. Democraten reageren beleefd. Ze komen met cijfers en argumenten. Ze gaan discussies over beladen thema’s uit de weg. En ze weigeren om Republikeinen met hun eigen wapens – emotionerende appèls  – te bestrijden, uit angst dat hun achterban dat niet kies zal vinden.</p>
<p>Het is niet moeilijk om deze analyse te vertalen naar ons land – waar overigens niet alleen de ontwikkelingssector last heeft van een negatief frame. Ook hier houden maatschappelijke organisaties het netjes en beleefd. Ze worden niet boos, vallen Wilders niet aan, en mijden discussies over lastige onderwerpen als corruptie en  hulpafhankelijkheid.</p>
<p><strong>Spindoctors</strong><br />
De vraag is waarom. Een voor de hand liggende verklaring is dat organisaties het bespelen van de publieke opinie niet als een kerntaak zien. Dat is immers het opbouwen van partnerschappen met organisaties in het Zuiden, het lobbyen voor gelijke rechten en het beschermen van ‘global public goods’. Daar komt de heidense taak bij om geld te werven, MFS-aanvragen in te dienen en vervolgens te voldoen aan alle verantwoordingseisen. Op deze taken is hun personeelsbestand ook ingericht. Spindoctors en mediastrategen staan niet op de loonlijst.</p>
<p>De gevolgen zijn dramatisch. Want het uitblijven van een alternatief verhaal biedt tegenstanders alle ruimte om hun eigen frame te verstevigen. Zij hebben intussen een voorsprong van tien jaar. Tien jaar, waarin een hele generatie is opgegroeid met het idee dat hulp te maken heeft met strijkstokken en diepe zakken. En wanneer je dat maar vaak genoeg hoort, dan ga je vanzelf geloven dat het waar is.</p>
<p>Als de wiedeweerga moeten maatschappelijke organisaties serieus werk gaan maken van een tegenframe. Een goed verhaal, dat overtuigend uitlegt waarom we ons moeten inzetten voor mensen die het minder hebben. Een verhaal dat serieuze antwoorden geeft op de vragen van mensen over corruptie, hulpafhankelijkheid en strijkstokken. Een verhaal dat de ééndimensionale karikatuur over hulp doorprikt.</p>
<p><strong><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2012/02/vliegtuigje.jpg"><img class="alignright size-medium wp-image-845" title="vliegtuigje" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2012/02/vliegtuigje-230x300.jpg" alt="" width="230" height="300" /></a>Boosheid</strong><br />
Dat verhaal moet niet alleen worden bedacht, maar ook worden verteld. Dag in dag uit, keer op keer. Door mediagenieke mensen, die er niet voor terugschrikken om de PVV-ideologie frontaal aan te vallen. Door mensen die hun boosheid, betrokkenheid en verontwaardiging laten zien. Door mensen die, kortom, emoties van lezers en kijkers raken. Ándere emoties welteverstaan dan die waarmee de PVV zijn achterban bespeelt.</p>
<p>Natuurlijk, ontwikkelingsorganisaties hebben dit verhaal allang in huis. Het kost hen echter moeite om het naar buiten te brengen. Hun klacht is vaak dat ‘de media’ hen niet zien staan. De media zijn immers niet geïnteresseerd in een genuanceerd betoog, maar duiken liever op misstanden en schandalen. Deels is dat waar. Goed nieuws is geen nieuws. En een vlotte oneliner doet het op televisie beter dan een afgewogen analyse. Daar kun je als organisatie krokodillentranen om huilen. Je kunt ook zorgen dat je een boegbeeld hebt met het hart op de tong en toch een goed verhaal. Niet voor niets zit Tineke Ceelen van Stichting Vluchteling vaker bij Pauw en Witteman dan alle directeuren van de grote ontwikkelingsorganisaties bij elkaar. Dat zou die organisaties toch te denken moeten geven.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2012/02/wie-prikt-karitatuur-van-de-hulpcritici-door/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Veel succes verder!</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2012/02/veel-succes-verder/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2012/02/veel-succes-verder/#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 15 Feb 2012 10:08:15 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=867</guid>
		<description><![CDATA[MyWorld Magazine, maart 2012  Aan elk ontwikkelingsproject komt een eind. Tenminste, dat is de bedoeling. In de praktijk blijft succesvol stoppen vaak een hele kunst. Ooit houden we op met onze steun aan de kleuterschool in Mkanda, Malawi. Dat was in elk geval ons stellige voornemen toen we er vijf jaar geleden aan begonnen. Geld [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>MyWorld Magazine, maart 2012 </em></p>
<p><strong><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2012/02/kleuterschool-Mkanda2.jpg"><img class="alignright size-medium wp-image-869" title="&lt;Samsung NV3, Samsung VLUU NV3&gt;" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2012/02/kleuterschool-Mkanda2-300x178.jpg" alt="" width="300" height="178" /></a>Aan elk ontwikkelingsproject komt een eind. Tenminste, dat is de bedoeling. In de praktijk blijft succesvol stoppen vaak een hele kunst. </strong></p>
<p>Ooit houden we op met onze steun aan de kleuterschool in Mkanda, Malawi. Dat was in elk geval ons stellige voornemen toen we er vijf jaar geleden aan begonnen. Geld voor het schoolgebouw hadden we zó bij elkaar. Een deel zou het dorp zelf betalen. In termijnen, wel te verstaan. De dorpsvrouwen bakten stenen en droegen mooie ideeën aan. Via een zonnepaneel op het dak zou het hele dorp zijn mobieltje kunnen opladen. Buiten schooltijd konden ze schoollokalen verhuren voor feesten en partijen. En naast het schoolgebouw kwam een moestuin met groenten voor de markt. Met deze inkomsten zou de school het onderhoud en de kleuterjuf betalen. Tot het zover was, zou onze stichting de rekening voldoen. Intussen is het vijf jaar later. En het overgrote deel wordt nog steeds uit Nederland betaald.<span id="more-867"></span></p>
<p>We zijn niet de enige kleinschalige hulporganisatie die worstelt met het succesvol afronden van een project. Uit onderzoek van het CIDIN aan de Radboud Universiteit in Nijmegen blijkt ‘duurzaam beëindigen’ een van de meest kwetsbare punten van particuliere hulpinitiatieven. Nederlandse vrijwilligers zorgen dat er een weeshuis of waterput komt, maar denken onvoldoende na over de vraag hoe de lokale bevolking het project op eigen kracht in stand kan houden. De ‘hulproes’, waarmee ze vol vuur aan een project beginnen, doet hen in een later stadium de das om.</p>
<p>Dat geldt niet voor iedereen. In de Nepalese regio Timal werken Ben en Tanja Kruk uit Doesburg via hun stichting Sathsathai aan het afronden van hun project. Tien jaar geleden deden de inwoners van Timal hun behoefte in de openlucht en kookten ze hun maaltijden op open houtvuurtjes in zwartgeblakerde hutten. Met hulp van stichting Sathsathai, onder meer gesteund door Impulsis, kregen duizenden gezinnen een eigen toilet, een rookvrij kooktoestel en elektriciteit. Honderden vrouwen leerden lezen en schrijven en startten een eigen bedrijfje. Maar eind dit jaar gaat de stekker eruit. “We willen hulpverslaving door ons eigen toedoen voorkomen”, zegt Tanja Kruk.</p>
<p>Duizenden kilometers verderop, in Wit-Rusland, zet de Boxtelse Ria Schraverus eveneens een streep onder een deel van haar project. In het dorpje Kalinovka raakte Schraverus verzeild in een troosteloos weeshuis voor gehandicapte kinderen. Het was er vies, privacy ontbrak en begeleiding was er nauwelijks: “De kinderen deden de hele dag niets anders dan schoppen en schreeuwen.” Stichting Weeshuizen Belarus, onder meer gesteund door Wilde Ganzen, zorgde voor nieuwe woonvoorzieningen en een praktijkboerderij waar de kinderen een vak kunnen leren. Vanaf eind dit jaar gaat daar geen geld uit Nederland meer naar toe. Schraverus: ‘Het is ons eindelijk gelukt om de Wit Russische overheid voor het project te laten betalen’.</p>
<p><strong>Op eigen benen</strong></p>
<p>Sathsathai en stichting Weeshuizen Belarus slagen in wat ons maar niet wil lukken: hun projecten staan financieel op eigen benen. Hoe hebben ze ‘m dat geflikt? Hun eerste les luidt: ‘je moet op tijd beginnen’.</p>
<p>Al in 2006 zette Sathsathai de eerste plannen voor een exitstrategie op papier. Het ‘stoppen’ werd een project op zich, met een uitgewerkte strategie, doelstellingen en plan van aanpak. Daarin valt op dat Sathsathai zich de laatste jaren vrijwel uitsluitend richt op het trainen en organiseren van mensen. Bijvoorbeeld om hen te leren in het land zélf fondsen te werven.</p>
<p>“In Nepal is een hoop geld en kennis aanwezig”, zegt Ben Kruk. “Maar mensen in de dorpen weten niet hoe ze daar aan moeten komen. Ze hebben geen radio of televisie. De hoofdstad is voor hen letterlijk en figuurlijk te ver weg.” Onder de vlag van Sathsathai ontstonden 63 microkredietgroepen. Honderden vrouwen leenden geld voor kaarsen maken, breien of het verbouwen van geïrrigeerde gewassen. Dit moet straks doorgaan zonder geld van Sathsathai, en daarom werkt de stichting aan het opzetten van een regionale microkredietgroep. Deze zal straks de rol van Sathsathai overnemen.  Ben en Tanja Kruk realiseren zich dat de tijd dringt:  “Ze zijn pas drie jaar bezig, dat is ontzettend kort. Is de microkredietgroep volgend jaar echt zelfstandig? Daar maak ik me wel eens zorgen over. We moeten erop vertrouwen dat ze het proces van volwassen worden ook zonder ons voortzetten.”</p>
<p>Een project afronden betekent meer dan langzaam de geldkraan dichtdraaien, zo luidt een tweede les. Afronden betekent investeren in mensen en organisaties, zodat zij zelf fondsen kunnen werven en activiteiten kunnen voortzetten. Dat is niet iets wat je op het eind even doet, maar waar je van meet af aan mee bezig bent.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p><strong>Bureaucratie</strong></p>
<p>Het project van Stichting Sathsathai wordt gedragen door economisch actieve vrouwen, die hun eigen geld kunnen lenen en verdienen. Bij veel projecten ligt dat anders. Scholen, ziekenhuizen en weeshuizen hebben hoge lopende kosten, die niet zomaar ergens vandaan kunnen worden getoverd. Ria Schraverus realiseerde zich dat terdege, toen ze tien jaar geleden betrokken raakte bij het weeshuis in Kalinovka. Al snel besefte ze dat het plan alleen kon slagen met steun van de overheid. In de jaren die volgden, leerde Schraverus alle hoeken en gaten van de Wit-Russische bureaucratie kennen. Het zat niet mee. “De overheid had in het begin geen enkele belangstelling. Het weeshuis werd zelfs gesloten. Niets aan te doen, zeiden de ambtenaren. Het was een lange strijd met veel frustraties. Iedereen heeft zijn eigen hokje en gaat daar niet buiten. Overheidsdienaren geven niet thuis omdat ze vrezen voor hun superieur. Uiteindelijk lukte het, na een toevallige ontmoeting met de vice-minister, om de juiste mensen aan tafel te krijgen. Sinds drie jaar ontvangen we subsidie van de overheid. Dat voelt als een grote overwinning. Ze luisteren nu naar onze voorstellen en willen met ons in overleg.”</p>
<p>De grootste uitdaging voor het verzelfstandigen van projecten is niet geld of kennis, zeggen Schraverus en het echtpaar Kruk. Dat is het veranderen van de mentaliteit. Wie altijd orders krijgt van bovenaf, maakt niet zomaar een eigen plan. En wie jaar in jaar uit donorgeld krijgt, raakt daaraan gewend. Niet omdat hij lui is, zoals tegenstanders van de hulp graag karikaturiseren, maar omdat dat kennelijk de gemakkelijkste weg is.</p>
<p>Tanja Kruk kan daarover meepraten: “Mensen in Nepal zijn volstrekt afhankelijk van hulp van buitenaf. In het land groeiden twee generaties mensen op die niets van hun eigen overheid verwachten. De cultuur van eigen initiatief is er niet.”   Van meet af aan grenzen stellen, is een derde les in het beëindigen van projecten. Tanja Kruk: “De mentaliteit van ‘het blijft wel komen’, daar zijn we heel strak in. Telkens zeggen we: ‘dit is wat we in dit dorp doen, en meer niet. Wanneer er na afloop van het project nog een huis is dat ook een toilet wil, dan zeggen we ‘jammer, betaal het zelf maar’.</p>
<p>Beginnen met ophouden, investeren in zelfredzaamheid en grenzen stellen. Dat zijn ook wijze lessen voor onze kleuterschool. En we moeten niet alleen plannen op papier zetten, we moeten ook geld vrijmaken voor training van de ouders en het schoolcomité. En wíj moeten niet als vanzelfsprekend bijspringen wanneer hún inkomsten weer eens tegenvallen.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p><strong>Geen exitstrategie</strong></p>
<p>Toch wringt er nog een schoen. Want ons voornemen om ons terug te trekken als donateur stoelt op de vooronderstelling dat de school daadwerkelijk zonder donorgeld kan draaien. Maar is dat wel haalbaar? In Wit-Rusland nam de overheid de lopende kosten voor zijn rekening. Maar in Malawi, waar onze kleuterschool staat, is de overheid in geen velden of wegen te bekennen.</p>
<p>Dat geldt ook voor het kindertehuis Imani in Nairobi, Kenia, dat wees- en straatkinderen opvangt. Imani probeert de kinderen terug te plaatsen in een gezinssituatie. Wanneer dat niet lukt, blijven ze bij Imani wonen tot ze volwassen zijn. Het project heeft veel geld nodig. 250.000 euro per jaar, om precies te zijn.</p>
<p>“Je kunt je afvragen wie ons werk moet betalen”, zegt Harrie Oostrom van de Nederlandse stichting Imani, dat het project in Nairobi steunt. “Is dat de overheid van  Kenia? Zijn het hulporganisaties? Ik heb daar geen antwoord op.” Van de Keniaanse overheid verwacht hij vooralsnog weinig. “Ze stoppen geld in andere zaken. Ja, ook in de verkeerde zaken. We proberen politici te beïnvloeden in de hoop dat de overheid het op termijn van ons overneemt. Maar er is geen concreet plan om het project over te dragen.”</p>
<p>Een exitstrategie heeft Imani dan ook niet: “Ons project houdt pas op wanneer het armoedeprobleem is opgelost”, zegt Oostrom. “Er moet altijd geld bij. Dat is ook in Nederland het geval bij opvang- en onderwijsprojecten: je bent altijd afhankelijk van subsidies. Of die nu van de eigen overheid komt of van buitenlandse donoren.” Het werkelijke probleem van Imani is niet hulpverslaving, zegt Oostrom, maar kwetsbaarheid. Imani mag niet leunen op één of enkele donateurs. Daarom zet de stichting zich in voor het vinden van verschillende financiers, zowel in Nederland als in Kenia.</p>
<p>Een goede exitstrategie is mooi. Maar weloverwogen géén exitstrategie hebben is natuurlijk ook een optie. En soms valt die heel goed te verdedigen.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2012/02/veel-succes-verder/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>&#8216;De&#8217; overheid bestaat niet</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2012/02/de-overheid-bestaat-niet/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2012/02/de-overheid-bestaat-niet/#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 15 Feb 2012 10:05:59 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=860</guid>
		<description><![CDATA[Redactioneel MyWorld Magazine maart 2012 Veel kleinschalige ontwikkelingsorganisaties zoeken nooit contact met de overheid. En geef ze eens ongelijk. Overheden in ontwikkelingslanden zijn immers niet te vertrouwen. Ze leunen vergenoegd achterover wanneer de hulpgelden binnenstromen en denken liever aan hun eigen portemonnee dan aan het oplossen van de armoede. Tijdens een recent bezoek aan Ethiopië [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Redactioneel MyWorld Magazine maart 2012</em></p>
<p><strong>Veel kleinschalige ontwikkelingsorganisaties zoeken nooit contact met de overheid. En geef ze eens ongelijk. Overheden in ontwikkelingslanden zijn immers niet te vertrouwen. Ze leunen vergenoegd achterover wanneer de hulpgelden binnenstromen en denken liever aan hun eigen portemonnee dan aan het oplossen van de armoede.<span id="more-860"></span></strong></p>
<p>Tijdens een recent bezoek aan Ethiopië ben ik dan ook op mijn hoede. Mijn gastheer is een Duitse ontwikkelingsorganisatie, gespecialiseerd in duurzame energie. Zij helpt klinieken aan zonnestroom, dorpen aan waterkrachtcentrales, stadsbewoners aan houtbesparende kooktoestellen. Dat doet die Duitse organisatie mét de Ethiopische overheid.</p>
<p>Ik ben gewaarschuwd: van die overheid is weinig goeds te verwachten. Minister-president Meles Zenawi regeert het land met ijzeren hand. Hij muilkorft de pers en laat tegenstanders verdwijnen. Volgens Human Rights Watch gebruikt de regering hulpgeld om de oppositie monddood te maken. Wat deed die Duitse organisatie daar? Moesten ze zich überhaupt wel met de overheid inlaten?  In mijn aantekenboekje noteer ik kritische vragen.</p>
<p>Totdat ‘de overheid van Ethiopië’ voor mijn neus staat in de persoon van Tewodros. Een jonge man met een roodgeruite bloes en zachte ogen. Niet het prototype buikige en zelfingenomen staatsdienaar dat ik had verwacht. Geestdriftig vertelt Tewodros over zijn werk voor het regionale Ministerie van Energie. Hij overtuigt gezinnen om een houtbesparend kooktoestel te kopen. Organiseert demonstraties voor gebruikers en traint producenten. Samen met de Duitsers. In ‘zijn’ regio zijn al duizenden kooktoestellen verkocht.</p>
<p>Licht verward kom ik uit het gesprek. Wie is nu eigenlijk ‘de’ overheid van Ethiopië? De kliek van Zenawi? Of deze ambtenaar, die oprecht wat van zijn werk wil maken?  En zonder wie, zo besef ik, de Duitsers waarschijnlijk weinig voor elkaar krijgen.</p>
<p>In mijn aantekenboekje staat nog steeds de vraag of je met hulp aan de Ethiopische overheid een verkeerd regime overeind houdt. Het antwoord is minder eenvoudig dan ik dacht. ‘De’ overheid bestaat niet. Zelfs niet in een autocratie.<em><br clear="all" /> </em></p>
<p>&nbsp;</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2012/02/de-overheid-bestaat-niet/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Gratis of niet?</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2012/02/gratis-of-niet/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2012/02/gratis-of-niet/#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 14 Feb 2012 19:33:54 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[columns]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=814</guid>
		<description><![CDATA[MyWorld magazine, december 2011 Wat is beter: arme gezinnen gratis malarianetten geven? Of hen laten betalen? Oeverloos heb ik aan de keukentafel over dit soort vragen vergaderd. Bij liters koffie en wijn probeerden de leden van onze kleine ontwikkelingsorganisatie elkaar te overtuigen. De een meende dat we een bijdrage moesten vragen: ‘Anders worden ze initiatiefloos [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2012/02/Malaria-Net.jpg"><img class="alignright size-full wp-image-828" title="Malaria Net" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2012/02/Malaria-Net.jpg" alt="" width="249" height="165" /></a>MyWorld magazine, december 2011</em></p>
<p><strong>Wat is beter: arme gezinnen gratis malarianetten geven? Of hen laten betalen?</strong></p>
<p>Oeverloos heb ik aan de keukentafel over dit soort vragen vergaderd. Bij liters koffie en wijn probeerden de leden van onze kleine ontwikkelingsorganisatie elkaar te overtuigen. De een meende dat we een bijdrage moesten vragen: ‘Anders worden ze initiatiefloos en afhankelijk’. De ander wilde het gratis houden: ‘Anders vallen juist de armsten buiten de boot’.<span id="more-814"></span></p>
<p>Wie had er gelijk? Geen idee. Welbeschouwd lieten we ons niet leiden door kennis, maar door onze eigen overtuigingen. Net als veel politici. Ook zij geven het ontwikkelingsbeleid vorm op basis van hun opvattingen. Zo meent het kabinet dat het overmaken van ontwikkelingsgeld aan bedrijven goed is om de armoede te bestrijden. Maar wat weten we er eigenlijk van?</p>
<p>Ook ik dacht het antwoord op de ‘schoolgeldvraag’ wel te weten. Tot ik <em>Arm &amp; Kansrijk</em> las van ontwikkelingseconomen Abhijit Banerjee en Esther Duflo. Het tweetal heeft lak aan grote theorieën. In plaats daarvan trokken ze de afgelopen 15 jaar naar dorpen en sloppenwijken in India, Kenia en Chili. Om te kijken hoe mensen leven en in gesprek te gaan over hun alledaagse keuzes. Om ter plekke te onderzoeken wat de uitwerking is van ontwikkelingshulp. Wil je weten wat werkt, zeggen Duflo en Banerjee, dan moet je het testen.</p>
<p>Met rode oren las ik het boek uit. Mijn eigen overtuiging over armoedebestrijding was plotseling veel minder stellig. Het boek levert niet alleen nuttige en inspirerende ideeën voor onze projecten. Het leert vooral bescheidenheid: wees niet te snel overtuigd van je gelijk. Een aanrader dus voor iedereen die aan ontwikkelingswerk doet. Inclusief politici.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>&nbsp;</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2012/02/gratis-of-niet/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Nooit meer alleen het wiel uitvinden</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2012/02/nooit-meer-alleen-het-wiel-uitvinden-nooit-meer-alleen-het-wiel-uitvinden-nooit-meer-alleen-het-wiel-uitvinden/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2012/02/nooit-meer-alleen-het-wiel-uitvinden-nooit-meer-alleen-het-wiel-uitvinden-nooit-meer-alleen-het-wiel-uitvinden/#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 14 Feb 2012 19:18:06 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[artikelen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=756</guid>
		<description><![CDATA[MyWorld Magazine, december 2011 Kleine ontwikkelingsorganisaties doen het liefst alles zelf. Maar als ze zouden samenwerken, zouden hun projecten beter lopen. Waarom doen ze het dan niet? Er valt een wereld te winnen als we onze krachten bundelen. Hans Vissenberg van Centrum Internationaal zou het dolgraag willen: samenwerken met organisaties die zich, net als zijn [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2012/02/samenwerken-300x2441.jpg"><img class="alignright  wp-image-831" title="samenwerken-300x244" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2012/02/samenwerken-300x2441.jpg" alt="" width="240" height="195" /></a>MyWorld Magazine, december 2011</em></p>
<p><strong>Kleine ontwikkelingsorganisaties doen het liefst alles zelf. Maar als ze zouden samenwerken, zouden hun projecten beter lopen. Waarom doen ze het dan niet? Er valt een wereld te winnen als we onze krachten bundelen.</strong></p>
<p>Hans Vissenberg van Centrum Internationaal zou het dolgraag willen: samenwerken met organisaties die zich, net als zijn eigen stichting, inzetten voor onderwijs in Ethiopië. Centrum Internationaal organiseert onder meer bijscholing voor onderwijzers, zodat zij leren omgaan met kinderen met een handicap in hun klas. Een prachtig project, zegt Vissenberg, maar het komt niet verder dan de stad Bahir Dar, in het noordwesten. Daarom zoekt hij contact met anderen. Vooralsnog vergeefs. <span id="more-756"></span>Een aantal organisaties dat hij benaderde gaf niet thuis. “Je belandt er in de wacht”, zegt Vissenberg. “Zij benaderen jou wel als het hen uitkomt.” Sommige bleken te zeer met andere dingen bezig. Zo maakte Vissenberg dit voorjaar kennis met een organisatie voor beter onderwijs in Indonesië. “Zij steunen een katholieke school in een moslimgebied. Wij willen kinderen met een handicap een plek bieden op school. Hun problemen zijn anders. Het contact bloedt dan snel dood.”</p>
<p>Kleinschalige ontwikkelingsorganisaties werken zelden samen. Dat valt niet alleen Hans Vissenberg van Centrum Internationaal op. Ook organisaties die het werk van vrijwilligersgroepen onderzoeken en ondersteunen, zoals het CIDIN, Wilde Ganzen en het COS, merken dat kleinschalige goededoelenorganisaties het liefst alleen werken, met hun eigen vrijwilligers en hun eigen contactpersonen in Afrika of Latijns-Amerika. Hans Vissenberg. “Ons mooie proefproject willen we graag uitbreiden: wat wij hebben gedaan, kunnen andere scholen misschien ook proberen. De vraag is hoe we die andere scholen bereiken. Daarvoor willen we graag gebruikmaken van het netwerk van anderen. Er zijn vast meer organisaties die scholen in Ethiopië steunen. Je kunt dan kennis en contacten uitwisselen.”</p>
<p>Kleine stichtingen lijken zo druk bezig om hun eigen wiel uit te vinden, dat ze niet eens merken dat anderen al bezig zijn met het produceren van de banden. Ondersteunende organisaties zien dat soms met lede ogen aan. “Uitvoerders van projecten zitten met dezelfde problemen en trappen in dezelfde valkuilen”, zegt Natasja Insing van Wilde Ganzen. “Ze beginnen bijvoorbeeld met het inzamelen van lesmateriaal voor een school in Afrika. Andere organisaties hebben allang ervaren dat dat doorgaans weinig zinvol is. Het is daarom ontzettend belangrijk dat mensen hun kennis en expertise delen. Zo kun je elkaar voor missers behoeden en zorgen dat je project effectiever wordt.”<strong> </strong></p>
<p><strong>Vuistbijl</strong></p>
<p>Niet samenwerken, geen kennis delen, dat betekent kansen missen op vooruitgang. Hoe groot die gemiste kans kan zijn, maakt bioloog en schrijver Matt Ridley duidelijk in zijn boek <em>De Rationele Optimist</em>. Daarin trekt hij een onverwachte lijn tussen een vuistbijl en een computermuis. De vuistbijl is gemaakt door één mens en bedoeld voor diezelfde mens. Aan de uitvinding van de computermuis hebben miljoenen mensen hun vindingrijkheid, kennis en arbeid bijgedragen. Onze vooruitgang, zegt Ridley, danken we aan ons vermogen om samen te werken, ideeën uit te wisselen en onze krachten te bundelen. In de steentijd wist iedereen hoe hij een vuistbijl moest maken, maar niemand kwam een stap verder. Vandaag kan niemand zelf een computermuis moet maken, maar samen kunnen we dat wel.</p>
<p>De boodschap van Ridley is niet alleen bedoeld voor uitvinders van computermuizen. Hij is ook interessant voor mensen die een einde willen maken aan armoede en ongelijkheid. Sterker nog, de oproep om samen te werken, geldt in het bijzonder voor hen. Veel kleinschalige ontwikkelingswerkers beginnen immers als amateur, zonder veel kennis en ervaring, met weinig mankracht en nog minder tijd. Het ligt dan ook voor de hand dat juist zij elkaar opzoeken. Om te leren, om krachten bundelen en om ervoor te zorgen dat ze samen tot nieuwe en betere projecten komen.</p>
<p>Die vanzelfsprekendheid staat in schril contrast met de praktijk van het kleinschalige ontwikkelingswerk. Het is de vraag of dat erg is. Is het een probleem wanneer organisaties liever zelf ontdekken hoe het moet, desnoods met vallen en opstaan? Het antwoord is ja. Want wie zich inzet voor mensen aan het andere eind van de wereld, is verplicht omdat zo goed mogelijk te doen. En wie denkt alles zelf te kunnen, vergroot de kans dat hij het project minder efficiënt uitvoert. En dat hij fouten maakt. En dat hij, uiteindelijk, minder kan betekenen voor de mensen voor wie hij zich inzet. Dat hoeft geen ramp te zijn. Maar het is wel iets om bij stil te staan.</p>
<p><strong>Schaars</strong></p>
<p>Ook iets om te overdenken is de vraag waarom het veel kleinschalige ontwikkelingsorganisaties zoveel moeite kost om elkaar op te zoeken en het contact te benutten. Een voor de hand liggende belemmering is een praktische. Samenwerken kost tijd. Je moet om je heen kijken. Weten welke organisaties er nog meer zijn. Vertrouwen opbouwen. Kijken wat je samen kunt doen. En juist die tijd is voor veel vrijwilligersgroepen een schaars goed. Dat ervaart ook Frits Brouwer, een van de initiatiefnemers van het Holland-Ghana Platform, een losvast samenwerkingsverband voor groepen met projecten in Noord-Ghana. “Je moet het allemaal organiseren”, zegt Brouwer. “Je moet een website optuigen en bijhouden. Je moet af en toe bij elkaar komen. Dat kost allemaal tijd. En je wilt je geld en inspanning toch zoveel mogelijk inzetten voor je eigen project.”</p>
<p>&nbsp;</p>
<p><strong>Tomaten oogsten</strong></p>
<p>Tijd is niet het enige bezwaar. Het ontbreekt vrijwilligers ook aan het idee dat ze iets aan elkaar kunnen hebben. Wie betrokken is bij een landbouwproject voor Indianen in Bolivia, meent dat hij weinig te zoeken heeft bij een groep die zich inzet voor weeskinderen in India. “Vaak is dat ten onrechte”, zegt Natasja Insing van Wilde Ganzen. “Veel lessen uit het kleinschalig ontwikkelingswerk zijn uitwisselbaar en staan los van een land of project. Mensen lopen tegen vergelijkbare problemen aan. Ze worstelen bijvoorbeeld met de vraag of je de de mensen om wie het gaat kunt laten bijdragen aan een project. De een zegt dat dat onmogelijk is, omdat de doelgroep te arm is. De ander steunt echter een scholenproject waarbij ook arme gezinnen een deel van het schoolgeld zelf opbrengen. Ze kunnen elkaar tips geven over de aanpak.” Ook goed communiceren met partners in ontwikkelingslanden, creatief fondsen werven en projecten evalueren zijn onderwerpen die bij alle projecten aan de orde zijn. Insing: “Het blijkt mensen echter te veel tijd en energie te kosten om boven hun concrete project uit te stijgen.”<br />
Naast ‘geen tijd hebben’ of ‘het nut ervan niet inzien’, ligt het grootste obstakel misschien wel op het emotionele vlak. Veel vrijwilligers voelen zich met huid en haar verbonden met ‘hun’ project. Ze putten immense voldoening uit het feit dat ze het zélf doen. Het is de voldoening die je voelt wanneer je je eigen tomaten oogst. Of wanneer het lukt om zelf de badkamer te betegelen. Sommigen noemen dat ronduit eigenwijs, eigengereid of halsstarrig. Natasja Insing van Wilde Ganzen houdt het positief: “Mensen die een project in het Zuiden ondersteunen, zijn vaak doeners. Ze zijn sterk gemotiveerd en hebben een grote wilskracht. Daar hoort ook bij dat je het allemaal graag zelf uitzoekt.”</p>
<p><strong>Goed bezocht</strong></p>
<p>Wie van de vuistbijl een computermuis wil maken, moet de eigenzinnigheid echter voorbij. Anno 2011 zien we dit terug in trainingen, ontmoetingsdagen en netwerkbijeenkomsten voor kleinschalige ontwikkelingsorganisaties. Het goede nieuws is dat er de afgelopen jaren een forse groei is van evenementen als deze. En dat zij vaak goed worden bezocht. Zo trok de recente ontmoetingsdag van Wilde Ganzen ruim driehonderd mensen. Collega-organisatie Impulsis moest de inschrijvingen voor zijn jongste partnerdag voortijdig sluiten wegens te grote belangstelling. Ook landenplatforms en websites bouwen bruggen tussen PI’ers. Op myworld.nl, de website van dit magazine, kwam een stroom reacties op gang nadat een lezeres haar dilemma rond een project in Afrika met anderen deelde.</p>
<p>Op deze plekken weten vrijwilligers elkaar te vinden. Ze leren er bijvoorbeeld hoe ze een beter projectplan moeten schrijven. Het brengt hen op ideeën hoe ze het vastgelopen contact met ‘hun’ school in India vlot kunnen trekken. Het helpt hen, om bij Matt Ridley te blijven, om een betere vuistbijl te maken. Maar het blijft een vuistbijl.</p>
<p>Om écht een stap verder te zetten, op weg naar een computermuis, is uitwisseling alleen niet genoeg. Het is samenwerking die uiteindelijk tot iets nieuws leidt. Tot iets beters. Tot iets voorbij de vuistbijl.</p>
<p><strong>Veel duurder</strong></p>
<p>Dat zien we terug in partijen die écht de handen ineenslaan. Zoals bij de drie stichtingen die samen een vakschool voor landbouwonderwijs bouwen in Ghana: Stichting Equal Opportunity Fund (EOF), Stichting Ecologische Landbouw Projecten Ghana (ELPG) en Stichting Bouwen. De organisaties troffen elkaar op een ontmoetingsdag van Partin, de brancheorganisatie voor kleinschalige particuliere initiatieven. Frits Brouwer van ELPG: “Zonder EOF hadden we het geld voor dat gebouw nooit bij elkaar gekregen, en zonder de kennis van Stichting Bouwen was het gebouw veel duurder geworden. Wanneer een van ons drieën het project op eigen kracht had willen uitvoeren, was deze school er nooit gekomen.”</p>
<p>Voorbeelden zoals deze zijn schaars. Maar ze laten wel zien dat het de moeite waard is stil te staan bij de kansen die samenwerking met anderen biedt. Ze dwingen je je af te vragen waar je mee bezig bent: zit je nog steeds je eigen vuistbijl te slijpen? Of sleutel je aan de ontwikkeling van een computermuis?</p>
<p>&nbsp;</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2012/02/nooit-meer-alleen-het-wiel-uitvinden-nooit-meer-alleen-het-wiel-uitvinden-nooit-meer-alleen-het-wiel-uitvinden/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Kloof tussen mensen mét en zonder handicap groeit</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2011/11/kloof-tussen-mensen-met-en-zonder-handicap-groeit/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2011/11/kloof-tussen-mensen-met-en-zonder-handicap-groeit/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 27 Nov 2011 22:52:23 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[artikelen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=742</guid>
		<description><![CDATA[IS, november 2011 Doven die voorlichtingsbijeenkomsten niet kunnen volgen, kinderen die school missen omdat ze in een rolstoel zitten. Mensen met een handicap profiteren niet vanzelf-sprekend van ontwikkelings-projecten. Door het huidige accent op economische groei binnen het ontwikkelingsbeleid dreigen gehandicapten nog verder achterop te raken. Toen Ziko Kasonga 14 jaar was, werd op een dag zijn [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/11/Ziko-2.JPG"><img class="alignright size-medium wp-image-746" title="Ziko 2" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/11/Ziko-2-300x200.jpg" alt="Ziko 2" width="300" height="200" /></a>IS, november 2011</em></p>
<p><strong>Doven die voorlichtingsbijeenkomsten niet kunnen volgen, kinderen die school missen omdat ze in een rolstoel zitten. Mensen met een handicap profiteren niet vanzelf-sprekend van ontwikkelings-projecten. Door het huidige accent op economische groei binnen het ontwikkelingsbeleid dreigen gehandicapten nog verder achterop te raken.</strong></p>
<p>Toen Ziko Kasonga 14 jaar was, werd op een dag zijn hele lichaam heet. De volgende ochtend, op weg naar de markt, begaven zijn benen het. In de maanden erna werden zijn spieren steeds dunner. Tot hij helemaal niet meer kon lopen. Ziko is nu 59 en bedelt voor de ingang van een supermarkt in het stadje Limbe. Elke dag neemt hij om vijf uur de minibus naar Limbe. Vanaf het busstation beweegt hij zich twee kilometer voort naar de winkelstraat, in kleermakerszit, met twee plastic slippers aan zijn handen om zijn vingers te beschermen. Op een goede dag haalt Ziko 200 kwacha op, ongeveer 90 eurocent. De helft daarvan gaat op aan buskosten.<span id="more-742"></span><br />
<span id="more-14827" style="font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; margin: 0px; border: 0px initial initial;"> </span></p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;">Ziko is een van de ongeveer 640 miljoen mensen in de wereld die met een handicap door het leven gaat. De Wereldbank schat dat 80 procent van hen in een ontwikkelingsland woont en dat vooral de allerarmsten kampen met een lichamelijke of verstandelijke beperking. Maar liefst een op de vijf van de allerarmsten heeft volgens de Wereldbank een meer of minder ernstige handicap.<br />
Terwijl steeds meer mensen in ontwikkelingslanden naar school gaan, schoon water hebben en medische zorg krijgen, gaan gehandicapte mensen er nauwelijks op vooruit.<br />
Veelzeggend zijn de cijfers over het toegenomen schoolbezoek in ontwikkelingslanden. In Afrika, Azië en Latijns-Amerika gaat inmiddels bijna 85 procent van alle kinderen naar school. Maar van de kinderen met een handicap volgt slechts tien procent onderwijs. Het zijn vooral de gezonde en economisch productieve armen die van de vooruitgang profiteren.<br />
Dat lijkt paradoxaal. Inspanningen om de armoede te verminderen zijn immers vooral bedoeld om het leven van de meest arme en meest kwetsbare groepen te verbeteren. Mensen met een handicap zouden dus het meest moeten profiteren van ontwikkelingsprogramma’s en verbeteringen in onderwijs en zorg. Maar in praktijk zijn zij de laatsten die ‘aanhaken’.<br />
De vraag is hoe dat komt.</p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;"><strong> </strong></p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;"><strong>Vicieuze cirkel</strong><br />
“Mensen met een handicap doen niet mee in de samenleving”, zegt Jetta Klijnsma, PvdA-kamerlid en ambassadeur voor het Liliane Fonds, een organisatie die zich inzet voor kinderen met een handicap in ontwikkelingslanden. “Kinderen gaan niet naar school en worden buitengesloten. Als volwassene zijn ze zo vervreemd, dat ze de aansluiting bij de maatschappij missen.” Wie arm is, heeft een grotere kans om een handicap te krijgen door gebrek aan goede voeding en gezondheidszorg. Eenmaal gehandicapt, lukt het vaak niet om een opleiding te volgen en werk te vinden. Ziko Kasonga is het vleesgeworden voorbeeld van deze vicieuze cirkel. Met goede medische zorg was de vergroeiing aan zijn benen waarschijnlijk minder ernstig geweest. Mede door zijn handicap komt hij moeilijk aan werk. En dat heeft weer gevolgen voor zijn familie. Ziko heeft vier kinderen, maar is niet staat om voor hen te zorgen. Ze wonen bij zijn zus in het dorp.<br />
Het hebben van een handicap is bovendien vaak omgeven door schaamte, bijgeloof en taboes. Veel ouders voelen zich schuldig wanneer ze een kind met een handicap krijgen. Ze verstoppen hen soms letterlijk in de hut. Rond handicaps bestaat veel bijgeloof. De moeder van Ziko dacht dat haar zoon was behekst. Ziko moet nog altijd roddels uit zijn omgeving verdragen. Er wordt veel gepraat, vertelt Ziko, omdat hij als gehandicapte is getrouwd met een ‘normale’ vrouw.</p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;"><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/11/Rose.JPG"><img class="alignleft size-medium wp-image-747" title="Rose" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/11/Rose-200x300.jpg" alt="Rose" width="200" height="300" /></a>Uitsluiting is niet het enige probleem.<br />
Mensen met een handicap zijn relatief vaak het slachtoffer van misbruik en mishandeling. Zoals Rose Nthenda, die in een dorp in het zuiden van Malawi geboren werd met een waterhoofd en een verstandelijk  beperking. Ze ging nooit naar school. Op een dag ontdekte haar moeder dat Rose zwanger was. Met veel moeite kwam de familie er achter wat er was gebeurd. Ze bleek misbruikt door een man uit een naburig dorp. Rose kan niet zelf voor haar zoon zorgen. Haar oude en astmatische moeder evenmin. Gelukkig stopt een pater uit de buurt de jongen af en toe iets toe.</p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;"><strong>Zelfredzaamheid</strong><br />
Armoede, handicaps en uitsluiting houden elkaar in de greep. Overheden en ontwikkelingsorganisaties zullen extra moeite voor mensen met een handicap moeten doen om hen bij de maatschappij te betrekken. Het oplossen van praktische belemmeringen, zoals gebrek aan rolstoelen, hulpmiddelen of medische zorg, is daarvoor niet genoeg. Een school kan rolstoeltoegankelijk zijn, maar als een kind wordt weggepest vanwege zijn handicap, dan is er nog niets bereikt.<br />
Het is de vraag of overheden en ontwikkelingsorganisaties die extra moeite willen doen.<br />
Die vraag is actueel, nu de nadruk binnen internationale samenwerking verschuift naar zelfredzaamheid en economische groei. Vorig jaar adviseerde de WRR, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, om meer ontwikkelingsgeld te investeren in het bedrijfsleven en minder in sociale sectoren als onderwijs en zorg. Het kabinet-Rutte nam deze aanbeveling over en ze vormt nu de basis van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. De gedachte is dat economische groei een duurzamer resultaat heeft dan het geven van sociale hulp.</p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;">Die visie leeft niet alleen bij Nederlandse beleidsmakers, maar ook in ontwikkelingslanden zelf. Ook daar gaan stemmen op om hulpgeld vooral te investeren in de iets minder armen en de beginnende middenklasse. Die kan zich opwerken en vervolgens een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van hun land. Dat zou meer opleveren dan hulp aan gehandicapten, waar niets voor terugkomt.</p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;">Jetta Klijnsma maakt zich grote zorgen over deze verschuiving in het beleid. “Organisaties willen dat hun inspanningen economisch rendement oplevert. Investeren in mensen met een handicap is dan weggegooid geld. Ook dit kabinet zegt: ‘wij besteden ons geld vooral in landen waar we als Nederland iets aan hebben’. Ik vind dat heel droevig.”<br />
De vraag is hoe de verschuiving naar ‘rendement’ voor mensen met een handicap zal uitpakken. Zullen zij profiteren van projecten voor economische ontwikkeling? Of raken ze daardoor nog verder achterop?</p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;"><strong> </strong></p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;"><strong><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/11/Fernando-2.JPG"><img class="alignright size-medium wp-image-748" title="Fernando 2" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/11/Fernando-2-200x300.jpg" alt="Fernando 2" width="200" height="300" /></a>Extra zetje</strong><br />
Soms is maar een klein zetje nodig om gehandicapten meer economische zelfstandigheid te krijgen. De achttienjarige Fernando van het Filippijnse eiland Cebu, trok aanvankelijk zijn familie mee in een armoedeval toen bleek dat hij aan epilepsie leed. Godofreda, alleenstaande moeder van vier kinderen, kon de medicijnen voor haar zoon amper betalen. Toen haar inkomstenbron, een klein winkeltje, afbrandde, raakte het gezin aan de bedelstaf. Een lening via een lokale microkredietbank om haar afgebrande winkeltje weer op te bouwen, gaf de familie weer wat lucht. Daarbij krijgt Godofreda wel extra begeleiding van een lokale ontwikkelingsorganisatie omdat gezinnen met een gehandicapt kind een te risicovolle doelgroep zijn voor microkredietbanken. De druk om de winst direct uit te geven aan medische zorg is in deze gezinnen enorm.  De lokale organisatie helpt Godofreda om de financiële huishouding op orde te houden. Ze betaalde al twee leningen terug en verdient inmiddels enkele tientjes per maand extra. Dat is niet veel, maar net genoeg om de medicijnen voor Fernando te betalen.<br />
Bij Ziko Kasonga, de bedelaar uit Malawi, is het minder eenvoudig om aan de armoede te ontsnappen. Maar niet onmogelijk. Zijn armen en handen zijn immers gezond. Ooit lukte het Ziko bijna om zijn eigen geld te verdienen. Met hulp van zijn broer volgde hij een opleiding tot tinslager. Zijn broer plantte zonnebloemen voor hem, en met de winst zou Ziko materialen kopen om voor zichzelf te beginnen. Maar nog voordat hij de bloemen kon oogsten, overleed zijn broer. Ziko wil niets liever dan opnieuw beginnen als tinslager. Maar geen bedrijf zal hem spontaan in dienst nemen. En geen bank zal hem een lening geven.</p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;">Inzetten op economische zelfredzaamheid kan mensen met een handicap helpen. Maar de verhalen van Ziko en Godofreda maken duidelijk dat het niet vanzelf gaat. Overheden en ontwikkelingsorganisaties zullen zich daarom extra moeten inspannen. Bovendien zal er altijd een groep gehandicapten blijven die niets aan economische projecten heeft. Zoals Rose Nthenda. Door haar verstandelijke beperking heeft ze levenslang zorg nodig. En dat geldt voor miljoenen armen met een handicap in ontwikkelingslanden. Kamerlid Jetta Klijnsma: “Deze mensen hebben niet gevraagd om een beperking. Ik heb geluk gehad. Ik heb spastische benen, en er is behoorlijk aan mij gesleuteld. Wanneer ik in een ontwikkelingsland was geboren, was ik nooit staatssecretaris of Kamerlid geworden. Het menselijke in ontwikkelingshulp mag niet teloor gaan.”</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2011/11/kloof-tussen-mensen-met-en-zonder-handicap-groeit/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Ken je klanten</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2011/11/ken-je-klanten/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2011/11/ken-je-klanten/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 27 Nov 2011 22:34:53 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[artikelen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=732</guid>
		<description><![CDATA[Vice Versa, oktober 2011 Steeds meer bedrijven wagen zich in de Base of the Pyramid. Er zijn behoorlijk wat valkuilen te vermijden voor wie die markt voor de allerarmsten wil betreden. &#8216;Pilotitis&#8217; bijvoorbeeld, te oppervlakkig marktonderzoek, of &#8211; let wel &#8211; een tevéél aan donorgeld. Beschouw de armen niet als slachtoffer. Zie hen als prijsbewuste [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong><a style="font-weight: bold;" href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/11/Dishtree1.jpg"><img class="size-medium wp-image-736 alignright" title="Dishtree" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/11/Dishtree1-300x165.jpg" alt="Dishtree" width="300" height="165" /></a><em>Vice Versa, oktober 2011</em></strong></p>
<p><strong>Steeds meer bedrijven wagen zich in de Base of the Pyramid. Er zijn behoorlijk wat valkuilen te vermijden voor wie die markt voor de allerarmsten wil betreden. &#8216;Pilotitis&#8217; bijvoorbeeld, te oppervlakkig marktonderzoek, of &#8211; let wel &#8211; een tevéél aan donorgeld.<br />
</strong></p>
<p>Beschouw de armen niet als slachtoffer. Zie hen als prijsbewuste consument en creatieve ondernemer. Met die controversiële stelling veroorzaakte de Indiase bedrijfsstrateeg C.K. Prahalad zeven jaar geleden opschudding in zijn boek Fortune at the bottom of the Pyramid.  Bedrijven, aldus Prahalad, lieten een prachtkans liggen door de 4 miljard mensen op de bodem van de economische piramide, de BoP, te negeren. En dat niet alleen: ook de armsten zelf zouden er wel bij varen wanneer er meer producten kwamen voor hun krappe beurs.<span id="more-732"></span><br />
Aanvankelijk kreeg Prahalad veel kritiek. Hij zou vooral multinationals stimuleren tot het verkopen van shampoo en zeep in miniverpakkingen. Het zou niet ethisch zijn om winst te maken ‘over de rug van de armen’. De inspirerende Indiase oogklinieken en Mexicaanse cementfabrieken in zijn voorbeelden zouden bovendien niet de armsten, maar hogere inkomensgroepen bedienen. Maar het boek oogstte bovenal bijval. Prahalad deed iets wat niemand eerder was gelukt: hij bracht een verhaal over armoedebestrijding dat zowel bedrijven als ontwikkelingsorganisaties aansprak. De inzet van het bedrijfsleven in armoedebestrijding werd bon ton.<!--more--><br />
Zeven jaar later heeft Base of the Pyramid (BoP)-missie de wind in de zeilen. Zo wil de Nederlandse overheid dat bedrijven actief bijdragen aan het verbeteren van de toegang tot water en voedselzekerheid, twee speerpunten in haar ontwikkelingsbeleid. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken steunt daartoe het BoP Innovation Center (BoP Inc): een incubator space waar bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen samen werken aan innovaties en leren van elkaar. Zo ontwikkelen DSM en ICCO binnen BoP Inc met lokale partners een testkit waarmee Afrikaanse gezondheidswerkers de echtheid van medicijnen kunnen vaststellen. Drinkwaterbedrijf Vitens-Evides International doet ervaring op in het begeleiden van waterbedrijven in het Zuiden. En de Wageningen Universiteit werkt met boeren en bedrijven aan de ontwikkeling van een koelsysteem voor boeren in Ethiopië.</p>
<p>Zeven jaar later zien steeds meer bedrijven, net als DSM en Vitens-Evides, kansen in de  BoP. Zo stijgt in ontwikkelingslanden en opkomende markten het aantal inwoners in de lagere middenklasse. Zij staan te springen om betaalbare huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs, water en financiële diensten. J.P. Morgan schat dat mensen met een inkomen onder de 3000 dollar daar de komende tien jaar 400 tot 1000 miljard dollar aan zullen uitgeven. Dat daagt bedrijven uit tot innovaties. Tot het ontwikkelen van goede producten en diensten die zó goedkoop zijn, dat ze winstgevend in de markt kunnen worden gezet. En steeds vaker zit die innovatiekracht in ontwikkelingslanden zelf. Unilever en Microsoft hebben een belangrijk deel van hun onderzoekscentra verplaatst naar China en India. Maar ook zonder uitzicht op grote winsten zien bedrijven belang in investeren in de BoP. De maatschappij verwacht dat bedrijven hun verantwoordelijkheid nemen in het aanpakken van maatschappelijke problemen. Dat draagt bij aan een positief imago.</p>
<p>Zeven jaar later weten we ook steeds beter wat werkt. Moest Prahalad nog overtuigen met een waaier van losse succesverhalen, inmiddels kunnen we uit al die losse voorbeelden een rode draad filteren. Zo laten analyses van business cases zien dat succesvolle BoP-bedrijven grote impact kunnen hebben op het inkomen en de levensomstandigheden van de armsten. Het laat echter ook zien dat veel veelbelovende initiatieven niet goed van de grond komen. Zo bleek uit een recent onderzoek van TNO, ICCO en Hystra naar ict-initiatieven in de BoP-markt dat honderden projecten na een paar jaar weer zijn verdwenen. Slechts een handvol BoP-bedrijven slaagt erin om over langere termijn meer dan een miljoen mensen te bereiken.</p>
<p><strong>Slecht voorbereid<br />
</strong> Het enthousiasme voor ondernemen in de BoP groeit met de dag, maar succes is allerminst vanzelfsprekend. Nicolas Chevrollier van het BoP Inc weet daar alles van. Hij is een van de experts van het centrum en adviseert en begeleidt bedrijven in het verkennen van de BoP-markt. Volgens Chevrollier gaan veel Westerse bedrijven slecht voorbereid die markt op. “Ze vergeten dat ze marktonderzoek moeten doen. Deze vaak informele markten hebben hele eigen behoeften en wensen.”<br />
Initiatiefnemers moeten dus zelf aan de slag. En dat betekent dat ze heel veel tijd moeten investeren om ter plekke te ontdekken wat de klanten precies willen. Dat doet Olga van der Valk, projectmanager bij het Landbouw Economisch Instituut (LEI) van de Wageningen Universiteit. Van der Valk reist met regelmaat naar Ethiopië om onderzoek te doen naar de wensen van lokale melkveehouders. Veel boeren doen nu niets met hun overschot aan melk: het bederft voordat het bij de fabriek is. Het LEI ondersteunt daarom de ontwikkeling van een kleinschalig koelsysteem, waarin boeren de melk kunnen bewaren. Maar hoe moet dat systeem eruit zien? Hoe komt het aan energie? Wat willen de boeren precies? “We werken samen met boerencoöperaties en melkfabrieken”, zegt Van der Valk. “We organiseren workshops waarin we ideeën bespreken. Verschillende voorstellen hebben we alweer laten varen. Voor een koelinstallatie op biogas zijn te veel koeien nodig. Solar panels zijn te duur. We denken nu aan koeling met hulp van water en wind, een simpele en goedkope technologie. Volgens de coöperaties hebben de boeren daar behoefte aan.</p>
<p>Maar dan moeten we nog steeds checken: hoe zit dat bij die boer áchter de coöperaties? Hoe gaan zij om met technologie? Wat willen ze betalen? Daar weten we nog te weinig van. Het is een uitdaging om aansluiting te krijgen bij lokale gebruikers.”<br />
Marktverkenning in ontwikkelingslanden is tijdrovend, en het is voor bedrijven niet altijd gemakkelijk om daarin te investeren. Kwalijker is dat bedrijven deze fase soms helemaal overslaan, omdat ze simpelweg denken te weten wat armen nodig hebben. Een misvatting, vindt Myrtille Danse, collega van Chevrollier en directeur van BoP Inc. “Er is een groot verschil tussen needs en demands. Het feit dat iemand ergens behoefte aan heeft, betekent niet dat hij er ook geld aan wil uitgeven. Mensen maken soms keuzes die in onze ogen niet rationeel zijn. Daar kunnen bedrijven en ngo’s zich enorm in vergissen.”<br />
Illustratief zijn de ervaringen van Philips met de ontwikkeling van een woodstove, een kooktoestel dat weinig brandstof gebruikt en weinig rook uitstoot. Philips probeerde dit apparaat aan de man te brengen met de boodschap dat het goed was voor de gezondheid. Dat sloeg niet aan. De verkoop begon pas te lopen toen Philips de boodschap veranderde: ‘Door minder rookontwikkeling blijven uw muren langer wit’.</p>
<p>Ken je klanten is dus het eerste motto voor wie de BoP wil betreden. Bedrijven ontdekken doorgaans al snel dat ze dat niet alleen kunnen. Datzelfde geldt voor ngo’s die kleinschalig ondernemerschap willen stimuleren. Uit onderzoek blijkt dat de meest geslaagde BoP-bedrijven worden geboren uit een partnerschap tussen bedrijven, ngo’s en kennisinstellingen. Zo werkt DSM voor het ontwikkelen van een medische testkit samen met ICCO en EPN, een netwerk voor verbeterde farmaceutische diensten in Afrika. En aan de wieg van het koelsysteem voor boeren in Ethiopië staan, behalve het LEI, onder andere SNV Ethiopië en Nederlandse ondernemers in de koeltechnieksector.<br />
Deze partijen hebben elkaar nodig in de BoP. Bedrijven hebben verstand van marktintroducties en business modellen. Ngo’s hebben verstand van de plaatselijke cultuur en sociale verhoudingen. Samen met de doelgroep ontwikkelen ze producten in een co-creatief proces van trial and error. Daar gaan maanden, soms jaren overheen. Wanneer de eerste proefprojecten succesvol zijn, dan wordt het product breed in de markt gezet.  Financieel hebben bedrijven en ngo’s elkaar eveneens nodig. De startfase kost veel tijd en energie, terwijl nog niet duidelijk is of het iets gaat opleveren. Een BoP-bedrijf komt meestal niet van de grond zonder donorgeld.</p>
<p><strong>Te veel donorgeld<br />
</strong> En daar zit de volgende, misschien nog grotere valkuil: het gevaar van te veel donorgeld. Myrtille Danse ziet het gebeuren in het door hongersnoden geplaagde Ethiopië, waar donoren de landbouwsector willen opbouwen. “Het probleem is dat donoren alles weggeven”, zegt Danse. “USAID pompt miljoenen euro’s in de landbouwsector en vliegt experts in. Maar zij zorgt niet voor betrokkenheid van lokale mensen, die capaciteit moeten opbouwen om te overleven wanneer de donoren zijn vertrokken.”<br />
Donorgeld is niet verkeerd, benadrukt Danse. “Zonder donorgeld komen dit soort innovaties moeilijk en langzaam van de grond. Maar wanneer er te veel donorgeld is, dan wordt een bedrijf nooit levensvatbaar.” De kunst is dan ook om het donorgeld verstandig in te zetten. Het speelt volgens Danse vooral een rol in de eerste fase, wanneer partners moeten uitvogelen of hun een idee kansrijk is. In de fase daarna, wanneer partners de eerste marktkansen zien, is het belangrijk dat ondernemingen en banken of private investeerders mee investeren. Ook lokale ondernemers moeten volgens Danse een aandeel nemen: “Op die manier ontstaat eigenaarschap.”</p>
<p>In praktijk wringt in deze fase vaak de schoen. Een veelbelovend bedrijfsidee, veelal bedacht door ngo’s, wordt te lang gevoed met donorgeld en donordenken. Het gevolg is dat het project niet voorbij de pilotfase komt. De sector heeft daar zelfs een woord voor uitgevonden: ‘pilotitis’, Een veelheid aan geïsoleerde projecten, die er geen van allen in slagen om uit te groeien tot levensvatbare bedrijven. “In Uganda struikel je erover”, zegt Nicolas Chevrollier. “Er zijn werkelijk honderden pilotprojecten in de BoP. Maar slechts een enkel initiatief haalt het tot de volgende fase.”<br />
‘Projectdenken’ van ngo’s botst hier nogal eens met ‘bedrijfsdenken’. Een bedrijf heeft geen einddatum, zoals een project. Een bedrijf moet groeien om te overleven. Juist in de onderkant van de markt is schaalgrootte van enorm belang. De winstmarges zijn laag en dat betekent dat de bedrijfswinst moet komen van grote volumes. Chevrollier:  “Dat zijn zaken waarover je bij een project doorgaans niet hoeft na te denken.”</p>
<p>De vraag is hoe je een startend bedrijf voorbij de pilotfase tilt. Een eerste voorwaarde is dat het business model zich gemakkelijk laat reproduceren. Een voorbeeld daarvan is Drishtee in India. Oprichter Satyan Mishra startte tien jaar geleden met het trainen van ondernemers om informatiekiosks te runnen. Dorpelingen kunnen daar terecht voor betaalde diensten, zoals microfinanciering en onderwijs. Vandaag heeft India meer dan 14.000 Drishtee-kiosks, die samen tien miljoen Indiërs bereiken. Het Dristhee-model waaierde uit naar drie Indiase staten en zelfs naar Rwanda.<br />
Een tweede factor van belang is het distributiekanaal. Veel bedrijven doen het lokaal prima, maar weten niet hoe ze een klantenkring moeten opbouwen in andere steden of regio’s. Bij het LEI zetten ze al de tanden in dit vraagstuk, terwijl het koelsysteem voor boeren nog op de tekentafel ligt. “We denken nu al na over de schaalbaarheid en het verdienmodel”, zegt Olga van der Valk. “We werken weliswaar samen met boerencoöperaties, maar 95 procent van de boeren is ongeorganiseerd. Hoe bereiken we die? We willen partnerschappen sluiten met lokale bedrijven die hier markt in zien.”<br />
Ten slotte is het zaak om ook in de uitrolfase voldoende financiering te krijgen. Voor nieuwe werkplaatsen of fabrieken, of voor leningen aan micro- franchisenemers. En dat is minder eenvoudig dan het lijkt. Veel lokale bedrijven in de BoP zijn te groot voor microfinanciering, maar onvoldoende kredietwaardig voor gevestigde banken. Ze vallen tussen wal en schip. Zelfs het succesvolle Drishtree worstelt om aan geld te komen, zegt oprichter Satyan Mishra in een studie van Hystra: “Alle micro-ondernemers van Drishtee hebben een individuele lening nodig. Dat is moeilijk omdat ze unbankable zijn.”Mishra noemt gebrek aan financiering een belangrijke rem op de groei van de onderneming.</p>
<p>Bedrijven, ngo’s  en financiers in de BoP staan voor twee belangrijke uitdagingen. De eerste uitdaging is om een einde te maken aan ‘pilotitis’. De tweede uitdaging is te zorgen voor passende financiering in alle fasen van het BoP-traject: durfkapitaal in de onzekere incubatiefase, slim ingezet donorgeld in de pilotfase en passende leningen voor het midden- en kleinbedrijf in de uitrolfase. Volgens Nicolas Chevrollier is financiering momenteel het meest innovatieve domein in de BoP: “Donoren en ideële financiers moeten nieuwe manieren van financiering bedenken, tussen giften en leningen in.” Het nieuwe buzzword is impact financing: investeringen met financieel rendement, waarmee je ook sociale resultaten haalt. Chevrollier: “Dat is nieuw, niemand heeft er ervaring mee. Maar ik voorspel dat er op korte termijn nieuwe partijen opstaan die deze ruimte gaan vullen.”<br />
<span style="color: #800000;"><strong> </strong></span></p>
<p><span style="color: #800000;"><strong>Kees de Glopper, projectmanager Ubora wa Dawa bij DSM<br />
Testkit medicijnen</strong><br />
“In Kenia is 30 tot 40 procent van de medicijnen onder de maat. Het gaat deels om namaakmedicijnen. Dat bracht ons op het idee om een testkit te ontwikkelen waarmee ziekenhuizen en klinieken de kwaliteit van medicijnen kunnen vaststellen. We weten dat er behoefte aan is. Maar behoefte is nog geen vraag. Willen mensen zo’n testkit ook echt gaan gebruiken? Voor een haalbaarheidsstudie zijn in heel Kenia mensen geïnterviewd. Niet iedereen is laaiend enthousiast. Anderen zien het wel zitten. Ik blijf me echter afvragen of de informatie objectief is en zonder bijbedoelingen. Spreken mensen de waarheid? Of verdienen ze nu misschien geld aan substandaard medicijnen? Het is buitengewoon moeilijk om zicht te krijgen op de productie en consumptie van slechte medicijnen. Het is nog moeilijker om te achterhalen hoeveel mensen erdoor overlijden.<br />
We werken ons idee nu uit met ICCO en EPN, een netwerk voor verbeterde farmaceutische diensten in Afrika. De financiering komt van het Ministerie van Buitenlandse zaken en van DSM. We krijgen echter lang niet alle uren vergoed die we erin stoppen. Je moet dit doen met je hart en je moet er geloof in hebben. Er zijn veel beren op de weg. En sommige beren blijven je aanstaren.”</span></p>
<p><span style="color: #333300;"><strong>Adriaan Mels, regionaal projectdirecteur Oost-Afrika voor Vitens Evides International<br />
Financieel gezond drinkwater</strong><br />
“Vitens-Evides International werkt al zeven jaar met waterbedrijven in ontwikkelingslanden. Hun financiële positie is vaak slecht. Ze hebben een oud netwerk, veel niet-betalende klanten en veel lekkages. Door hun lage inkomsten kunnen ze weinig investeren in uitbreiding en onderhoud. We helpen hen eerst met technische assistentie: lekken dichten en het bedrijf financieel gezond maken. Daarnaast helpen we met het ontwikkelen van een visie voor uitbreiding van het aantal aansluitingen.<br />
Doorgaans verbetert de financiële positie na een aantal jaren. De tarieven gaan omhoog en de service verbetert. De eerste acht bedrijven die wij steunden in Mozambique, zijn nu financieel gezond. Het aantal betalers steeg daar van 40 naar 80 procent.<br />
We proberen algemene lessen te trekken uit onze ervaringen. Er zijn zo’n tien, twaalf problemen die bij alle partners terugkomen, zoals lekkages en illegale aansluitingen. We evalueren verschillende aanpakken en kijken of we daaruit een standaardaanpak kunnen ontwikkelen.<br />
Een voorbeeld is het aanstellen van een ‘wijkfitter’: één contactpersoon die dicht bij de klant staat, en die het aanspreekpunt is voor lekkages, metingen en betalingen. Je ziet bij waterbedrijven dat de verantwoordelijkheden heel gefragmenteerd zijn. Reparaties moeten soms langs de directeur. Met zo’n wijkfitter wordt de bedrijfsvoering veel efficiënter en verbeter je de service.”</span></p>
<p><span style="color: #000080;"><strong>BoP Innovation Center</strong><br />
Het BoP Innovation Center (BoP Inc) ontwikkelt samen met bedrijven innovaties die het welzijn van mensen in de BoP verbeteren. Het centrum vertegenwoordigt een alliantie van kennisinstellingen, platformorganisaties en maatschappelijke organisaties. Partners zijn onder meer het Global Compact Network Netherlands, TNO, Wageningen UR, ICCO, SNV en een groeiend aantal bedrijven wereldwijd. BoP Inc financiert geen projecten, maar speelt de rol van incubator, aanjager, onderzoeker en kennismakelaar. Momenteel is BoP Inc betrokken bij initiatieven op het terrein van duurzame voedselsystemen, rurale elektrificatie en veilig drinkwater en sanitatie.<br />
BoP Inc hanteert twee strategieën: het steunt bedrijven bij het ontwikkelen van nieuwe pilot-projecten ‘van onderop’, in een samenwerkingsproces met de doelgroep. Daarnaast inventariseert BoP Inc welke business modellen al hebben gewerkt, om van daaruit met bedrijven nieuwe strategieën te ontwikkelen. BoP Inc heeft daartoe studies gedaan naar energie, water en ICT.<br />
<a href="http://www.bopinc.org"> www.bopinc.org</a></span></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2011/11/ken-je-klanten/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Kapotte bus en leeg kippenhok</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2011/09/kapotte-bus-en-leeg-kippenhok/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2011/09/kapotte-bus-en-leeg-kippenhok/#comments</comments>
		<pubDate>Thu, 22 Sep 2011 08:51:45 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[artikelen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=725</guid>
		<description><![CDATA[MyWorld magazine, september 2011 Een kleinschalig ontwikkelingsproject verduurzamen. Hoe doe je dat? Simpel: door te zorgen dat het geld ter plekke wordt verdiend. Ook de stichting van redacteur Mirjam Vossen probeerde het, maar bakte er weinig van. Op verkenning bij twee collega’s die het beter doen. Ontwikkelingsprojecten koppelen aan een commerciele activiteit. Dat leek onze [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/09/feature_kippenhok-400x290.png"><img class="alignright size-medium wp-image-726" title="feature_kippenhok-400x290" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/09/feature_kippenhok-400x290-300x217.png" alt="feature_kippenhok-400x290" width="300" height="217" /></a></p>
<p><em>MyWorld magazine, september 2011</em></p>
<p><strong>Een kleinschalig ontwikkelingsproject verduurzamen. Hoe doe je dat? Simpel: door te zorgen dat het geld ter plekke wordt verdiend. Ook de stichting van redacteur Mirjam Vossen probeerde het, maar bakte er weinig van. Op verkenning bij twee collega’s die het beter doen.</strong></p>
<p>Ontwikkelingsprojecten koppelen aan een commerciele activiteit. Dat leek onze stichting wel wat. Al jaren steunden we onderwijsprojecten in Malawi. En die moesten toch eens verder zonder donaties uit Nederland. Onze partner had er wel oren naar. Al snel waren we het eens over de eerste investering: een minibus die commerciële ritten zou gaan rijden in de stad. Met de winst van de bus hoopten we een schooltuin te financieren voor leerlingen van groep acht.<span id="more-725"></span></p>
<p>Amper een jaar later stortten we ons in een tweede commercieel avontuur: een kippenfokkerij op het schoolterrein, ditmaal gerund door ouders en leerkrachten. De winst zou terugvloeien in een dagelijks ontbijt voor alle leerlingen. Weer een jaar later waren we twee ervaringen rijker en twee illusies armer. De minibus stond zieltogend onder een boom. Het voertuig had zo vaak pech dat het onderhoud meer kostte dan de bus opbracht. In de kippenhokken viel geen kip meer te bekennen. De verkoop ging trager dan gepland, waardoor er steeds minder geld in kas was om nieuwe kuikens te kopen. Na een jaar was het kapitaal opgedroogd. Geen winst, weg investering.</p>
<p>We deden iets verkeerd. Maar wat? Hoog tijd om onze initiatieven eens te vergelijken met die van twee andere doe-het- zelvers. Bijvoorbeeld met SYPO, een Nederlandse organisatie die in Afrika ondernemende projecten opzet. SYPO financierde in Uganda een yoghurtfabriek van hulporganisatie Pat the Child. De winst gaat naar de opvang van weeskinderen bij gezinnen in de buurt. En met Ideas at Work, een organisatie die eigenaar is van een touwpompenfabriek in Cambodja. Deze fabriek levert goedkope drinkwaterpompen aan duizenden dorpen.</p>
<p>Eerst de kippenfokkerij, bestierd door leraren en ouders. Wat we leren van SYPO en Ideas at Work is dit: zij trokken nieuwe, commerciële mensen aan voor de yoghurt- en de touwpompenfabriek. “Pat the Child had zelf niet de kennis in huis om een fabriek op te zetten”, zegt Duko Hopman, directeur van SYPO. Ook Angelique Smit, directeur van Ideas at Work, zocht commercieel talent. Smit woonde acht jaar in Cambodja en hoewel haar fabriek een sociale onderneming is, besefte Smit dat ze geen welzijnswerkers, maar ‘onafhankelijke managers en verkopers’ nodig had. Het leek in Malawi zó logisch dat onder- wijzers en ouders zelf de kippenfokkerij beheerden. Maar goed contact en een vertrouwensband bleken niet genoeg. Ze ontbeerden elke ervaring met het benaderen van klanten, het zoeken naar afzetmarkten of het efficiënte gebruik van investeringen. “Het is een fout die ik overal zie”, zegt Smit. “Schoolmeesters, dokters en toeristengidsen zijn géén verkopers. Wanneer je een commercieel project wilt starten, ga dan liever praten met een succesvolle ondernemer in het dorp.”</p>
<p>Dan de minibus. Die was wél in handen van een lokale ondernemer. Een onder- nemer die bovendien met succes twee andere minibusjes uitbaatte. Aan kennis en zakelijk inzicht ontbrak het hem niet. Althans, niet wat zijn eigen busjes betrof. Wat we hier kunnen leren van Ideas at Work is dit: Angelique Smit zorgde van meet af aan voor een commercieel belang bij de onderneming. Ze draaide stapsgewijs de donorkraan dicht en dwong haar  managers om commercieel te denken.</p>
<p>De touwpompenfabriek draait nu voor 75 procent op zelf verdiende inkomsten. “De medewerkers weten niet dat er nog altijd subsidie naar het bedrijf gaat”, zegt Smit. “Ze denken dat de fabriek helemaal zelf het hoofd boven water moet houden. Dat geeft onrust. Maar een betere prikkel om te ondernemen is er niet.”</p>
<p>En die prikkel ontbrak bij ‘onze’ Malawiaanse ondernemer. Hij kreeg de minibus als het ware in zijn schoot geworpen. Een deel van de winst mocht hij afromen voor onderhoud en salarissen. De rest zou naar het project gaan. Die ‘rest’ bleef dus uit. Waarom zou hij extra ritten rijden en investeren in onderhoud, wanneer de extra omzet hem niets opleverde? Bovendien, wanneer de bus geen winst maakte, dan had niet hij, maar onze stichting een probleem.</p>
<p>Tussen doneren en winst maken zit een spanningsveld. Zonder donorgeld komen veel commerciële activiteiten nu eenmaal niet van de grond. Wanneer het donorgeld echter als vangnet blijft fungeren, dan is het bedrijf evenmin levensvatbaar. Het is een dilemma waar SYPO ook vandaag nog mee worstelt. Ondanks het feit dat de yoghurtfabriek winst maakt, is die prikkel er volgens Duko Hopman onvoldoende. “De scheiding tussen de fabriek en het hulpproject is niet ver genoeg doorgevoerd”, zegt hij. “Het management overlapt en heeft vooral een sociaal hart. Daardoor worden niet altijd de beste zakelijke beslissingen genomen. Ze vinden het moeilijk om geld opzij te zetten voor afschrijvingen, wanneer er iedere dag weeskinderen op de stoep staan. De fabriek zou veel meer winst kunnen maken dan nu het geval is.” Stichting SYPO zet geen commerciële projecten meer op met ideële organisaties, maar werkt uitsluitend met leningen aan particuliere ondernemers. “Mensen moeten helemaal zelf verantwoordelijk zijn voor de risico’s”, zegt Hopman.</p>
<p>En onze stichting? De kans is klein dat wij ons nog aan een nieuw commercieel avontuur wagen. Het ontbreekt onze partner  niet aan nieuwe ideeën, maar de kapotte bus en de lege kippenhokken liggen nog te vers in ons geheugen. Als we de sprong ooit nog eens wagen, zullen we ons huis- werk beter doen dan de afgelopen keren. Ook dat is winst.</p>
<p><strong>Ton van der Lee, auteur van Kinderen van Afrika, reageert op dit artikel: <a href="http://www.myworld.nl/2011/09/%E2%80%98je-kunt-iemand-een-duwtje-geven-maar-hij-moet-zelf-springen-%E2%80%99/">‘Je kunt iemand een duwtje geven, maar hij moet zelf springen.’</a></strong></p>
<p><strong><br />
</strong></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2011/09/kapotte-bus-en-leeg-kippenhok/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Het gaat niet alleen slecht in Afrika</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2011/09/geen-eindeloze-crisis/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2011/09/geen-eindeloze-crisis/#comments</comments>
		<pubDate>Sat, 17 Sep 2011 06:11:15 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[artikelen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=717</guid>
		<description><![CDATA[Spectrum, 10 september 2011 In de Hoorn van Afrika verhongeren weer mensen. Vooral in Somalië is een duurzame oplossing voor de honger en armoede nog ver weg, zegt Thea Hilhorst, hoogleraar Humanitaire hulp en wederopbouw. Maar in andere voormalige crisisgebieden, zoals Rwanda, gaat het inmiddels veel beter. In de hoorn van Afrika is het weer [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/09/IMG_3392.JPG"><img class="alignright size-medium wp-image-718" title="IMG_3392" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/09/IMG_3392-300x200.jpg" alt="IMG_3392" width="300" height="200" /></a>Spectrum, 10 september 2011</em></p>
<p><strong>In de Hoorn van Afrika verhongeren weer mensen. Vooral in Somalië is een duurzame oplossing voor de honger en armoede nog ver weg, zegt Thea Hilhorst, hoogleraar Humanitaire hulp en wederopbouw. Maar in andere voormalige crisisgebieden, zoals Rwanda, gaat het inmiddels veel beter.<span id="more-717"></span><br />
</strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<p>In de hoorn van Afrika is het weer raak. In het gebied heerst de ergste droogte sinds 60 jaar en meer dan tien miljoen mensen hebben dringend behoefte aan voedsel en medicijnen. Hulporganisaties voerden massaal actie, met schrijnende foto’s van vluchtende families en stervende kinderen. De actie leverde tot nog toe 21 miljoen euro op. Maar onze tegenzin groeit: uit onderzoek van Motivaction blijkt dat de helft van Nederlanders niet van plan is om te geven aan Afrika. Steeds meer mensen twijfelen of de hulp wel goed terecht komt en vragen zich af waarom Afrika maar niet vooruit gaat. Lost noodhulp wel iets op? Is het niet beter om landen als Somalië, waar de honger het ergst is, aan hun lot over te laten?</p>
<p>De vragen zijn terecht. Toch moet er eerst een misverstand de wereld uit: het gaat wel degelijk beter met Afrika. Het afgelopen decennium zijn de meeste Afrikaanse economieën hard gegroeid, met gemiddeld 7 procent per jaar. Ook Afrika werd getroffen door de economische crisis, maar herstelde zich sneller dan Europa. Volgens het IMF groeien de economieën van zuidelijk Afrika dit jaar met gemiddeld 5,5%. Het Fonds verwacht dat de komende jaren maar liefst zeven Afrikaanse landen in de top 10 van de snelst groeiende economieën ter wereld staan. Nu levert een paar procent groei in een straatarm Afrikaans land nog weinig op. Maar bemoedigend is het wel.</p>
<p>Afrika wordt bovendien steeds veiliger. In de jaren 70 en 80 werd het continent nog verscheurd door tientallen oorlogen en conflicten. Vandaag reis je van Kenia naar Mali of van Tsjaad naar Mozambique zonder op oorlogen te stuiten. Op dit moment wordt er vooral nog gevochten in het zuiden van Nigeria, het westen van Soedan, het oosten van Congo en het zuiden van Somalië.</p>
<p>Ten slotte wordt voor veel Afrikanen het leven steeds beter. Die vooruitgang is er vooral op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg. Volgens de Verenigde Naties gaan acht van de tien Afrikaanse kinderen gaan naar school. De kindersterfte daalt snel. Steeds meer mensen hebben toegang tot schoon water en de aidsepidemie is op zijn retour.</p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong>Genocide</strong></p>
<p>Die hoopvolle ontwikkeling staat in schril contrast met de situatie in de hoorn van Afrika, vooral Somalië. Dat de hongersnood juist in Somalië toeslaat, ligt ogenschijnlijk voor de hand: het land is droog en schraal. Grote delen van Somalië zijn nauwelijks geschikt voor kleinschalige landbouw, waar het gros van de mensen van leeft. Een veel groter probleem is echter de politieke instabiliteit. Somalië raakte begin jaren 90 verzeild in een burgeroorlog. De hoofdstad Mogadishu, ooit de witte parel aan de Indische Oceaan, ligt er kapotgeschoten bij. Sinds 1991 heeft het land geen effectieve centrale regering meer. De radicaal-islamitische beweging Al Shabaab heeft grote delen van het land in handen, inclusief het gebied waar nu hongersnood heerst.</p>
<p>Somalië krijgt veel hulp uit het Westen. Per jaar ontvangt het 460 miljoen euro aan officiële ontwikkelingshulp, ongeveer 50 euro per inwoner per jaar. Dat geld komt vooral van de Verenigde Staten, die in de officiële regering van Somalië een bondgenoot ziet in de strijd tegen islamitisch terrorisme. Deze regering heeft vooralsnog echter zijn handen vol aan het bestrijden van Al Shabaab, en het terugwinnen van de controle over grote delen van het land. In de gebieden waar Al Shabaab regeert, hebben hulporganisaties te maken met intimidatie, afpersing en bedreiging.</p>
<p>Dat verklaart waarom ontwikkelingshulp weinig zoden aan de dijk zet. “Structurele ontwikkeling, dat is op dit moment niet te doen in Somalië”, zegt Thea Hilhorst, hoogleraar Humanitaire hulp en wederopbouw aan de Wageningen Universiteit. “Er is amper sprake van een staat. Zolang die er niet is, kun je met officiële hulp weinig bereiken. Er zal in Somalië eerst een politieke oplossing moeten komen.”</p>
<p><strong>Massamoord</strong></p>
<p>Is de situatie in Somalië uitzichtloos? Dat hoeft niet. Het gaat namelijk ook beter in Afrikaanse landen die er relatief kort geleden even slecht voorstonden als Somalië vandaag. Een indrukwekkend voorbeeld is Rwanda. In het voorjaar van 1994 was dit kleine land het toneel van een gruwelijke massamoord. Extremistische Hutu’s moordden bijna een miljoen Tutsi’s uit, op een bevolking van amper zeven miljoen mensen. Na de genocide werd meer dan een miljoen mensen gearresteerd op verdenking van moord, verkrachting, diefstal of medeplichtigheid. De nieuwe regering stond voor de haast onmogelijke taak om dit reddeloze en diep getraumatiseerde land weer op te bouwen.</p>
<p>Dat was 1994. Het verschil met 2011 kan niet groter zijn. Nog steeds worstelt tweederde van alle Rwandezen met de gevolgen van de genocide. Maar 17 jaar later is Rwanda een van de veiligste landen van Afrika. In de hoofdstad Kigali wandel je ’s avonds even onbekommerd op straat als in Enschede of Eindhoven. De prachtige natuur van Rwanda – het Toscane van Afrika – trekt steeds meer toeristen. Kinderarbeid zakte de afgelopen tien jaar van meer dan dertig procent naar minder dan tien procent. Het onderwijs bloeit: van alle jongeren kan meer dan 90 procent lezen en schrijven. De regering spant zich in om vrouwen vooruit te helpen. En met succes: 56 procent van alle parlementariërs in Rwanda is vrouw. Dat is het hoogste percentage ter wereld.</p>
<p>Ook Rwanda ontvangt veel ontwikkelingsgeld uit het Westen: zo’n 650 miljoen euro per jaar, ongeveer 65 euro per hoofd van bevolking. Dat geld wordt echter goed geïnvesteerd in onderwijs en gezondheidszorg, in het opbouwen van een rechtstraat en het herstel van de economie. Daar komt bij dat Rwanda volgens de Transparency International Index een van de minst corrupte landen van Afrika is. Wie betrapt wordt op het aannemen van smeergelden, vliegt eruit. Van president Paul Kagame wordt gezegd dat hij uiterst sober leeft. Hij ontvangt zijn internationale gasten niet met staatsbanketten in een paleis, maar met een glas water in een kaal kantoor.</p>
<p>“Het grote verschil met Somalië is dat Rwanda een sterke, krachtige regering heeft”, zegt Thea Hilhorst. “Die regering heeft na de genocide heel veel steun uit het buitenland gekregen. Daarmee heeft het land een enorme groei doorgemaakt.” De problemen in Rwanda zijn echter niet voorbij. De armoede is nog altijd hardnekkig. Op het platteland leeft meer dan de helft van de mensen van minder dan één dollar per dag. En de ‘sterke staat’ heeft een keerzijde: de regering laat weinig kritiek en oppositie toe. Hilhorst is er dan ook niet helemaal gerust op de toekomst: “Er zijn nog veel problemen. Het land is overbevolkt en er is weinig industrialisering. De opbouw gaat op de punt van het geweer: het land is bijna een dictatuur. Dat kan een tijd goed gaan, maar op een gegeven moment kan de sociale onrust weer gaan broeden.”</p>
<p>Het is waar dat een succesvol opgeklommen land als Rwanda weer af kan glijden. Het is even waar dat een schijnbaar uitzichtloos land als Somalië de weg omhoog kan vinden. Een politieke oplossing is echter vereist, voordat ontwikkelingshulp in Somalië echt effect kan sorteren. Tot die tijd zit er niet anders op dan noodhulp te geven, ook al groeit de tegenzin.</p>
<p><strong>KADER: een koe per familie</strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<p>Het gezin van Esther Hakizimana uit Rubengera kreeg een koe van de Rwandese overheid. Ze ontving bovendien een kleine lening voor een biogasinstallatie. Daarmee wordt de koeienpoep verwerkt tot biogas. Voor Esther betekent dat een enorme vooruitgang: ze hoeft geen hout meer te kopen en geen rook meer in te ademen. De koeien leveren bovendien mest voor haar akker. Het gezin heeft inmiddels drie koeien. Met de verkoop van melk vullen ze het gezinsinkomen aan met zo’n honderd euro per maand.</p>
<p>‘Een koe per familie’ is een programma waarmee de overheid de levensomstandigheden op het platteland probeert te verbeteren. Het is de bedoeling dat 350.000 arme families in Rwanda een koe ontvangen. De teller staat inmiddels op 92.000. De voorwaarde is dat het gezin het eerste kalf weggeeft aan een ander gezin in het dorp. Daarmee hoopt de regering het gemeenschapsgevoel te versterken dat tijdens de genocide aan flarden werd gescheurd.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2011/09/geen-eindeloze-crisis/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Obesitas nieuwe ramp voor ontwikkelingslanden</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2011/07/obesitas-nieuwe-ramp-voor-ontwikkelingslanden/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2011/07/obesitas-nieuwe-ramp-voor-ontwikkelingslanden/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 29 Jul 2011 12:28:03 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[artikelen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=705</guid>
		<description><![CDATA[Spectrum (zaterdagbijlage Wegener-dagbladen), 23 juli 2011 In ontwikkelingslanden neemt het aantal armen met overgewicht schrikbarend toe. De gezondheidszorg is daar niet op toegerust. De gevolgen kunnen even dramatisch zijn als die van de aids-epidemie. De dakloze Orina slijt haar dagen op een pleintje in de Filippijnse hoofdstad Manilla. Vanaf haar bankje kijkt ze uit op [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/07/Raw00733.JPG"><img class="alignright size-medium wp-image-708" title="Raw00733" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/07/Raw00733-200x300.jpg" alt="Raw00733" width="120" height="180" /></a>Spectrum (zaterdagbijlage Wegener-dagbladen), 23 juli 2011</em></p>
<p><strong>In ontwikkelingslanden neemt het aantal armen met overgewicht schrikbarend toe. De gezondheidszorg is daar niet op toegerust. De gevolgen kunnen even dramatisch zijn als die van de aids-epidemie. </strong></p>
<p>De dakloze Orina slijt haar dagen op een pleintje in de Filippijnse hoofdstad Manilla. Vanaf haar bankje kijkt ze uit op de ingang van de Binondo-kerk. Achter haar rug ligt de plaatselijke McDonalds. Van kerkgangers krijgt ze af en toe een aalmoes. Uit de afvalbak van McDonalds haalt ze haar dagelijkse portie kipnuggets en friet. Eén ding valt onmiddellijk op aan Orina: de straatarme vrouw is moddervet.<span id="more-705"></span></p>
<p>Een zwerfster met obesitas? Dat lijkt een paradox, maar dat is het niet.  Want in ontwikkelingslanden neemt het aantal dikke mensen in onrustbarend tempo toe. Niet alleen de rijken worden zwaarder, maar ook de armsten, zoals Orina.</p>
<p>Over één ding mag geen misverstand bestaan: in arme landen is ondergewicht nog altijd een veel hardnekkiger probleem dan overgewicht. In India is bijna de helft van de kinderen onder de vijf ondervoed. In de Filippijnen is dat een derde, in Afrika een kwart. Maar tegelijkertijd groeit in Azië en Afrika het aantal mensen dat te zwaar is. Onderzoekers zien dat het aantal zwaarlijvigen in alle lagen van de bevolking toeneemt. Maar opmerkelijk genoeg is de stijging het sterkst onder de armsten, vooral in de steden.  Inmiddels lijdt één op de vijf arme Afrikaanse stadsbewoners aan overgewicht. Dat is dubbel zo veel als tien jaar gelden. Vooral bij vrouwen met een laag inkomen en weinig opleiding vliegen de kilo’s er aan.</p>
<p><strong>Armoedeprobleem </strong></p>
<p>“Ook in Azië en Afrika wordt obesitas een armoedeprobleem.” Dat zegt Jaap Seidell, hoogleraar voeding en gezondheid aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. “Zwaarlijvigheid was ooit een teken van welstand: wie niet hoefde te werken en te bewegen, werd dik. In Amerika en Europa is overgewicht inmiddels vooral een probleem van de lagere sociale klassen. En dat geldt nu ook voor ontwikkelingslanden.“</p>
<p>Neem Charity Chingwo uit de sloppenwijk Ndirande in Malawi, een straatarm land in het zuiden van Afrika. De 34-jarige Charity zucht letterlijk onder haar gewicht. Een jaar geleden verloor ze haar man en sindsdien zorgt in haar eentje voor twee tienerzoons. Ze heeft geen werk en kan met moeite de eindjes aan elkaar knopen. “Als kind was ik dun”, zegt Charity. “Maar na mijn huwelijk begon ik te groeien.” Charity meent dat dik zijn ‘in de familie zit´. Maar haar moeder en vriendinnen weten wel beter: Charity beweegt nauwelijks. Sinds ze in de stad woont, brengt ze grote delen van de dag zittend in haar huisje door.</p>
<p>Daarmee staat Charity symbool voor de onderliggende oorzaak van het toenemende overgewicht in arme landen: de razendsnelle verstedelijking. In Afrika en Azië verhuizen mensen in groten getale van het platteland naar de steden. Daar komen ze meestal terecht in dichtbebouwde sloppenwijken. “De trek naar de stad verandert het leefpatroon”, zegt Jaap Seidell. “Mensen hebben geen werk en bewegen weinig. Ze leven van goedkoop straatvoedsel vol zoet, vet en zout. Fastfood is er spotgoedkoop. Veel mensen koken niet meer thuis, want daarvoor heb je een haardvuur en hout nodig. Het is goedkoper om een gefrituurde snack te halen op straat. Dat is allemaal ongezond.”</p>
<p>In het Indiase New Dehli eet 70 procent van de mensen fastfood omdat het zo ontzettend goedkoop is, weet Seidell. In Brazilië, zo blijkt uit onderzoek van landbouworganisatie FAO, zijn bewerkte meel- en vleesproducten, zoetigheden en frisdrank de meest gegeten voedingswaren in arme stadswijken.</p>
<p>De verstedelijking gaat hard. Op de Filippijnen woonde dertig jaar geleden nog maar 37 procent van de mensen in de stad. Binnenkort is dat 70 procent. In Malawi, nu nog een van de minst verstedelijkte landen van Afrika, verdubbelde het aantal stadsbewoners in twintig jaar tijd.</p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong>Tijdbom</strong></p>
<p>Orina ligt ogenschijnlijk ontspannen op haar bankje. Ogenschijnlijk, want Orina kan nog maar amper lopen. Haar benen willen niet meer en ze is doorlopend moe. Mensen met overgewicht zijn niet alleen minder mobiel, ze zijn ook vatbaarder voor chronische ziekten als diabetes, hartklachten en een hoge bloeddruk. In arme landen neemt het aantal patiënten met deze aandoeningen razendsnel toe. Maar de zwakke gezondheidszorgsystemen zijn daar helemaal niet op toegerust. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie WHO gaan ontwikkelingslanden gebukt onder een ´dubbele ziektelast´: terwijl ze strijden tegen hardnekkig ondergewicht en infectieziekten,  groeit het aantal mensen met overgewichtsziekten. Overgewicht en ondergewicht komen naast elkaar voor in hetzelfde land, dezelfde wijk en soms zelfs in hetzelfde gezin.</p>
<p>Obesitas legt een tijdbom onder ontwikkelingslanden. Volgens Jaap Seidell zal het de komende decennia een ware ramp veroorzaken. Vooral de snelle groei van het aantal armen met diabetes wordt een drama, zegt Seidell: “Ik ken een dorp in Bangladesh waar twintig procent van de volwassenen diabetes heeft. In ons land is daar goed mee te leven. Maar in dat dorp is amper insuline. Mensen worden niet behandeld. Dat leidt tot voetamputaties, chronische nierklachten en blindheid. Mensen kunnen niet meer werken en overlijden vaak binnen korte tijd. Gezinnen verliezen een kostwinner. Dat is voor huishoudens een economische ramp, die vergelijkbaar is met de gevolgen van de aids-epidemie in Afrika.”</p>
<p>Een eenvoudige oplossing is er niet. Al was het maar omdat veel mensen hun overgewicht nauwelijks als een probleem ervaren: in arme landen is een stevig figuur nog altijd een teken van welstand en status. Ook de politiek voelt nog nauwelijks de urgentie. De aandacht gaat nog volop naar het bestrijden van honger en infectieziekten, niet naar het tegengaan van chronische ‘welvaartszieken’.</p>
<p>“Preventie is van groot belang”, zegt Jaap Seidell. “Je moet daarbij zo vroeg mogelijk beginnen. Het liefst bij moeders, die voorlichting moeten krijgen over het belang van borstvoeding en gezonde voeding voor hun kind. “ Tegelijkertijd is er volgens Seidell ‘een revolutie nodig ‘in de gezondheidszorg in arme landen. “Je moet daar artsen hebben die weten hoe je ziekten als diabetes opspoort en behandeld. Die zijn er nu te weinig.”</p>
<p>Charity Chingwe kan zich niet herinneren dat ze ooit voorlichting over voeding heeft gehad. Maar inmiddels is ze haar dikke lichaam meer dan zat: “Malawianen vinden het mooi wanneer een vrouw een beetje zwaar is. Maar zo zwaar als ik ben, dat is ook weer niet de bedoeling. Ik kan niet rennen, ik kan niet knielen en ik kan niet bukken om kleren te wassen. Ik zie er tegenop om naar de winkel te gaan voor een pak suiker. Dat kost me te veel inspanning.” Ze is vastbesloten om dunner te worden. Maar hoe ze dat moet aanpakken, daarvan heeft ze vooralsnog geen idee.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2011/07/obesitas-nieuwe-ramp-voor-ontwikkelingslanden/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
	</channel>
</rss>

