<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>Mirjam Vossen</title>
	<atom:link href="http://www.mirjamvossen.com/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://www.mirjamvossen.com</link>
	<description>Just another WordPress weblog</description>
	<lastBuildDate>Sun, 27 Nov 2011 23:02:16 +0000</lastBuildDate>
	<generator>http://wordpress.org/?v=2.8.4</generator>
	<language>en</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
			<item>
		<title>Kloof tussen mensen mét en zonder handicap groeit</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2011/11/kloof-tussen-mensen-met-en-zonder-handicap-groeit/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2011/11/kloof-tussen-mensen-met-en-zonder-handicap-groeit/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 27 Nov 2011 22:52:23 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=742</guid>
		<description><![CDATA[IS, november 2011
Doven die voorlichtingsbijeenkomsten niet kunnen volgen, kinderen die school missen omdat ze in een rolstoel zitten. Mensen met een handicap profiteren niet vanzelf-sprekend van ontwikkelings-projecten. Door het huidige accent op economische groei binnen het ontwikkelingsbeleid dreigen gehandicapten nog verder achterop te raken.
Toen Ziko Kasonga 14 jaar was, werd op een dag zijn hele lichaam [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/11/Ziko-2.JPG"><img class="alignright size-medium wp-image-746" title="Ziko 2" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/11/Ziko-2-300x200.jpg" alt="Ziko 2" width="300" height="200" /></a>IS, november 2011</em></p>
<p><strong>Doven die voorlichtingsbijeenkomsten niet kunnen volgen, kinderen die school missen omdat ze in een rolstoel zitten. Mensen met een handicap profiteren niet vanzelf-sprekend van ontwikkelings-projecten. Door het huidige accent op economische groei binnen het ontwikkelingsbeleid dreigen gehandicapten nog verder achterop te raken.</strong></p>
<p>Toen Ziko Kasonga 14 jaar was, werd op een dag zijn hele lichaam heet. De volgende ochtend, op weg naar de markt, begaven zijn benen het. In de maanden erna werden zijn spieren steeds dunner. Tot hij helemaal niet meer kon lopen. Ziko is nu 59 en bedelt voor de ingang van een supermarkt in het stadje Limbe. Elke dag neemt hij om vijf uur de minibus naar Limbe. Vanaf het busstation beweegt hij zich twee kilometer voort naar de winkelstraat, in kleermakerszit, met twee plastic slippers aan zijn handen om zijn vingers te beschermen. Op een goede dag haalt Ziko 200 kwacha op, ongeveer 90 eurocent. De helft daarvan gaat op aan buskosten.<span id="more-742"></span><br />
<span id="more-14827" style="font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; margin: 0px; border: 0px initial initial;"> </span></p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;">Ziko is een van de ongeveer 640 miljoen mensen in de wereld die met een handicap door het leven gaat. De Wereldbank schat dat 80 procent van hen in een ontwikkelingsland woont en dat vooral de allerarmsten kampen met een lichamelijke of verstandelijke beperking. Maar liefst een op de vijf van de allerarmsten heeft volgens de Wereldbank een meer of minder ernstige handicap.<br />
Terwijl steeds meer mensen in ontwikkelingslanden naar school gaan, schoon water hebben en medische zorg krijgen, gaan gehandicapte mensen er nauwelijks op vooruit.<br />
Veelzeggend zijn de cijfers over het toegenomen schoolbezoek in ontwikkelingslanden. In Afrika, Azië en Latijns-Amerika gaat inmiddels bijna 85 procent van alle kinderen naar school. Maar van de kinderen met een handicap volgt slechts tien procent onderwijs. Het zijn vooral de gezonde en economisch productieve armen die van de vooruitgang profiteren.<br />
Dat lijkt paradoxaal. Inspanningen om de armoede te verminderen zijn immers vooral bedoeld om het leven van de meest arme en meest kwetsbare groepen te verbeteren. Mensen met een handicap zouden dus het meest moeten profiteren van ontwikkelingsprogramma’s en verbeteringen in onderwijs en zorg. Maar in praktijk zijn zij de laatsten die ‘aanhaken’.<br />
De vraag is hoe dat komt.</p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;"><strong> </strong></p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;"><strong>Vicieuze cirkel</strong><br />
“Mensen met een handicap doen niet mee in de samenleving”, zegt Jetta Klijnsma, PvdA-kamerlid en ambassadeur voor het Liliane Fonds, een organisatie die zich inzet voor kinderen met een handicap in ontwikkelingslanden. “Kinderen gaan niet naar school en worden buitengesloten. Als volwassene zijn ze zo vervreemd, dat ze de aansluiting bij de maatschappij missen.” Wie arm is, heeft een grotere kans om een handicap te krijgen door gebrek aan goede voeding en gezondheidszorg. Eenmaal gehandicapt, lukt het vaak niet om een opleiding te volgen en werk te vinden. Ziko Kasonga is het vleesgeworden voorbeeld van deze vicieuze cirkel. Met goede medische zorg was de vergroeiing aan zijn benen waarschijnlijk minder ernstig geweest. Mede door zijn handicap komt hij moeilijk aan werk. En dat heeft weer gevolgen voor zijn familie. Ziko heeft vier kinderen, maar is niet staat om voor hen te zorgen. Ze wonen bij zijn zus in het dorp.<br />
Het hebben van een handicap is bovendien vaak omgeven door schaamte, bijgeloof en taboes. Veel ouders voelen zich schuldig wanneer ze een kind met een handicap krijgen. Ze verstoppen hen soms letterlijk in de hut. Rond handicaps bestaat veel bijgeloof. De moeder van Ziko dacht dat haar zoon was behekst. Ziko moet nog altijd roddels uit zijn omgeving verdragen. Er wordt veel gepraat, vertelt Ziko, omdat hij als gehandicapte is getrouwd met een ‘normale’ vrouw.</p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;"><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/11/Rose.JPG"><img class="alignleft size-medium wp-image-747" title="Rose" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/11/Rose-200x300.jpg" alt="Rose" width="200" height="300" /></a>Uitsluiting is niet het enige probleem.<br />
Mensen met een handicap zijn relatief vaak het slachtoffer van misbruik en mishandeling. Zoals Rose Nthenda, die in een dorp in het zuiden van Malawi geboren werd met een waterhoofd en een verstandelijk  beperking. Ze ging nooit naar school. Op een dag ontdekte haar moeder dat Rose zwanger was. Met veel moeite kwam de familie er achter wat er was gebeurd. Ze bleek misbruikt door een man uit een naburig dorp. Rose kan niet zelf voor haar zoon zorgen. Haar oude en astmatische moeder evenmin. Gelukkig stopt een pater uit de buurt de jongen af en toe iets toe.</p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;"><strong>Zelfredzaamheid</strong><br />
Armoede, handicaps en uitsluiting houden elkaar in de greep. Overheden en ontwikkelingsorganisaties zullen extra moeite voor mensen met een handicap moeten doen om hen bij de maatschappij te betrekken. Het oplossen van praktische belemmeringen, zoals gebrek aan rolstoelen, hulpmiddelen of medische zorg, is daarvoor niet genoeg. Een school kan rolstoeltoegankelijk zijn, maar als een kind wordt weggepest vanwege zijn handicap, dan is er nog niets bereikt.<br />
Het is de vraag of overheden en ontwikkelingsorganisaties die extra moeite willen doen.<br />
Die vraag is actueel, nu de nadruk binnen internationale samenwerking verschuift naar zelfredzaamheid en economische groei. Vorig jaar adviseerde de WRR, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, om meer ontwikkelingsgeld te investeren in het bedrijfsleven en minder in sociale sectoren als onderwijs en zorg. Het kabinet-Rutte nam deze aanbeveling over en ze vormt nu de basis van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. De gedachte is dat economische groei een duurzamer resultaat heeft dan het geven van sociale hulp.</p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;">Die visie leeft niet alleen bij Nederlandse beleidsmakers, maar ook in ontwikkelingslanden zelf. Ook daar gaan stemmen op om hulpgeld vooral te investeren in de iets minder armen en de beginnende middenklasse. Die kan zich opwerken en vervolgens een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van hun land. Dat zou meer opleveren dan hulp aan gehandicapten, waar niets voor terugkomt.</p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;">Jetta Klijnsma maakt zich grote zorgen over deze verschuiving in het beleid. “Organisaties willen dat hun inspanningen economisch rendement oplevert. Investeren in mensen met een handicap is dan weggegooid geld. Ook dit kabinet zegt: ‘wij besteden ons geld vooral in landen waar we als Nederland iets aan hebben’. Ik vind dat heel droevig.”<br />
De vraag is hoe de verschuiving naar ‘rendement’ voor mensen met een handicap zal uitpakken. Zullen zij profiteren van projecten voor economische ontwikkeling? Of raken ze daardoor nog verder achterop?</p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;"><strong> </strong></p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;"><strong><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/11/Fernando-2.JPG"><img class="alignright size-medium wp-image-748" title="Fernando 2" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/11/Fernando-2-200x300.jpg" alt="Fernando 2" width="200" height="300" /></a>Extra zetje</strong><br />
Soms is maar een klein zetje nodig om gehandicapten meer economische zelfstandigheid te krijgen. De achttienjarige Fernando van het Filippijnse eiland Cebu, trok aanvankelijk zijn familie mee in een armoedeval toen bleek dat hij aan epilepsie leed. Godofreda, alleenstaande moeder van vier kinderen, kon de medicijnen voor haar zoon amper betalen. Toen haar inkomstenbron, een klein winkeltje, afbrandde, raakte het gezin aan de bedelstaf. Een lening via een lokale microkredietbank om haar afgebrande winkeltje weer op te bouwen, gaf de familie weer wat lucht. Daarbij krijgt Godofreda wel extra begeleiding van een lokale ontwikkelingsorganisatie omdat gezinnen met een gehandicapt kind een te risicovolle doelgroep zijn voor microkredietbanken. De druk om de winst direct uit te geven aan medische zorg is in deze gezinnen enorm.  De lokale organisatie helpt Godofreda om de financiële huishouding op orde te houden. Ze betaalde al twee leningen terug en verdient inmiddels enkele tientjes per maand extra. Dat is niet veel, maar net genoeg om de medicijnen voor Fernando te betalen.<br />
Bij Ziko Kasonga, de bedelaar uit Malawi, is het minder eenvoudig om aan de armoede te ontsnappen. Maar niet onmogelijk. Zijn armen en handen zijn immers gezond. Ooit lukte het Ziko bijna om zijn eigen geld te verdienen. Met hulp van zijn broer volgde hij een opleiding tot tinslager. Zijn broer plantte zonnebloemen voor hem, en met de winst zou Ziko materialen kopen om voor zichzelf te beginnen. Maar nog voordat hij de bloemen kon oogsten, overleed zijn broer. Ziko wil niets liever dan opnieuw beginnen als tinslager. Maar geen bedrijf zal hem spontaan in dienst nemen. En geen bank zal hem een lening geven.</p>
<p style="margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 7px; margin-left: 0px; font-style: inherit; font-family: inherit; vertical-align: baseline; padding: 0px; border: 0px initial initial;">Inzetten op economische zelfredzaamheid kan mensen met een handicap helpen. Maar de verhalen van Ziko en Godofreda maken duidelijk dat het niet vanzelf gaat. Overheden en ontwikkelingsorganisaties zullen zich daarom extra moeten inspannen. Bovendien zal er altijd een groep gehandicapten blijven die niets aan economische projecten heeft. Zoals Rose Nthenda. Door haar verstandelijke beperking heeft ze levenslang zorg nodig. En dat geldt voor miljoenen armen met een handicap in ontwikkelingslanden. Kamerlid Jetta Klijnsma: “Deze mensen hebben niet gevraagd om een beperking. Ik heb geluk gehad. Ik heb spastische benen, en er is behoorlijk aan mij gesleuteld. Wanneer ik in een ontwikkelingsland was geboren, was ik nooit staatssecretaris of Kamerlid geworden. Het menselijke in ontwikkelingshulp mag niet teloor gaan.”</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2011/11/kloof-tussen-mensen-met-en-zonder-handicap-groeit/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Ken je klanten</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2011/11/ken-je-klanten/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2011/11/ken-je-klanten/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 27 Nov 2011 22:34:53 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=732</guid>
		<description><![CDATA[Vice Versa, oktober 2011
Steeds meer bedrijven wagen zich in de Base of the Pyramid. Er zijn behoorlijk wat valkuilen te vermijden voor wie die markt voor de allerarmsten wil betreden. &#8216;Pilotitis&#8217; bijvoorbeeld, te oppervlakkig marktonderzoek, of &#8211; let wel &#8211; een tevéél aan donorgeld.

Beschouw de armen niet als slachtoffer. Zie hen als prijsbewuste consument en [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong><a style="font-weight: bold;" href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/11/Dishtree1.jpg"><img class="size-medium wp-image-736 alignright" title="Dishtree" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/11/Dishtree1-300x165.jpg" alt="Dishtree" width="300" height="165" /></a><em>Vice Versa, oktober 2011</em></strong></p>
<p><strong>Steeds meer bedrijven wagen zich in de Base of the Pyramid. Er zijn behoorlijk wat valkuilen te vermijden voor wie die markt voor de allerarmsten wil betreden. &#8216;Pilotitis&#8217; bijvoorbeeld, te oppervlakkig marktonderzoek, of &#8211; let wel &#8211; een tevéél aan donorgeld.<br />
</strong></p>
<p>Beschouw de armen niet als slachtoffer. Zie hen als prijsbewuste consument en creatieve ondernemer. Met die controversiële stelling veroorzaakte de Indiase bedrijfsstrateeg C.K. Prahalad zeven jaar geleden opschudding in zijn boek Fortune at the bottom of the Pyramid.  Bedrijven, aldus Prahalad, lieten een prachtkans liggen door de 4 miljard mensen op de bodem van de economische piramide, de BoP, te negeren. En dat niet alleen: ook de armsten zelf zouden er wel bij varen wanneer er meer producten kwamen voor hun krappe beurs.<span id="more-732"></span><br />
Aanvankelijk kreeg Prahalad veel kritiek. Hij zou vooral multinationals stimuleren tot het verkopen van shampoo en zeep in miniverpakkingen. Het zou niet ethisch zijn om winst te maken ‘over de rug van de armen’. De inspirerende Indiase oogklinieken en Mexicaanse cementfabrieken in zijn voorbeelden zouden bovendien niet de armsten, maar hogere inkomensgroepen bedienen. Maar het boek oogstte bovenal bijval. Prahalad deed iets wat niemand eerder was gelukt: hij bracht een verhaal over armoedebestrijding dat zowel bedrijven als ontwikkelingsorganisaties aansprak. De inzet van het bedrijfsleven in armoedebestrijding werd bon ton.<!--more--><br />
Zeven jaar later heeft Base of the Pyramid (BoP)-missie de wind in de zeilen. Zo wil de Nederlandse overheid dat bedrijven actief bijdragen aan het verbeteren van de toegang tot water en voedselzekerheid, twee speerpunten in haar ontwikkelingsbeleid. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken steunt daartoe het BoP Innovation Center (BoP Inc): een incubator space waar bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen samen werken aan innovaties en leren van elkaar. Zo ontwikkelen DSM en ICCO binnen BoP Inc met lokale partners een testkit waarmee Afrikaanse gezondheidswerkers de echtheid van medicijnen kunnen vaststellen. Drinkwaterbedrijf Vitens-Evides International doet ervaring op in het begeleiden van waterbedrijven in het Zuiden. En de Wageningen Universiteit werkt met boeren en bedrijven aan de ontwikkeling van een koelsysteem voor boeren in Ethiopië.</p>
<p>Zeven jaar later zien steeds meer bedrijven, net als DSM en Vitens-Evides, kansen in de  BoP. Zo stijgt in ontwikkelingslanden en opkomende markten het aantal inwoners in de lagere middenklasse. Zij staan te springen om betaalbare huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs, water en financiële diensten. J.P. Morgan schat dat mensen met een inkomen onder de 3000 dollar daar de komende tien jaar 400 tot 1000 miljard dollar aan zullen uitgeven. Dat daagt bedrijven uit tot innovaties. Tot het ontwikkelen van goede producten en diensten die zó goedkoop zijn, dat ze winstgevend in de markt kunnen worden gezet. En steeds vaker zit die innovatiekracht in ontwikkelingslanden zelf. Unilever en Microsoft hebben een belangrijk deel van hun onderzoekscentra verplaatst naar China en India. Maar ook zonder uitzicht op grote winsten zien bedrijven belang in investeren in de BoP. De maatschappij verwacht dat bedrijven hun verantwoordelijkheid nemen in het aanpakken van maatschappelijke problemen. Dat draagt bij aan een positief imago.</p>
<p>Zeven jaar later weten we ook steeds beter wat werkt. Moest Prahalad nog overtuigen met een waaier van losse succesverhalen, inmiddels kunnen we uit al die losse voorbeelden een rode draad filteren. Zo laten analyses van business cases zien dat succesvolle BoP-bedrijven grote impact kunnen hebben op het inkomen en de levensomstandigheden van de armsten. Het laat echter ook zien dat veel veelbelovende initiatieven niet goed van de grond komen. Zo bleek uit een recent onderzoek van TNO, ICCO en Hystra naar ict-initiatieven in de BoP-markt dat honderden projecten na een paar jaar weer zijn verdwenen. Slechts een handvol BoP-bedrijven slaagt erin om over langere termijn meer dan een miljoen mensen te bereiken.</p>
<p><strong>Slecht voorbereid<br />
</strong> Het enthousiasme voor ondernemen in de BoP groeit met de dag, maar succes is allerminst vanzelfsprekend. Nicolas Chevrollier van het BoP Inc weet daar alles van. Hij is een van de experts van het centrum en adviseert en begeleidt bedrijven in het verkennen van de BoP-markt. Volgens Chevrollier gaan veel Westerse bedrijven slecht voorbereid die markt op. “Ze vergeten dat ze marktonderzoek moeten doen. Deze vaak informele markten hebben hele eigen behoeften en wensen.”<br />
Initiatiefnemers moeten dus zelf aan de slag. En dat betekent dat ze heel veel tijd moeten investeren om ter plekke te ontdekken wat de klanten precies willen. Dat doet Olga van der Valk, projectmanager bij het Landbouw Economisch Instituut (LEI) van de Wageningen Universiteit. Van der Valk reist met regelmaat naar Ethiopië om onderzoek te doen naar de wensen van lokale melkveehouders. Veel boeren doen nu niets met hun overschot aan melk: het bederft voordat het bij de fabriek is. Het LEI ondersteunt daarom de ontwikkeling van een kleinschalig koelsysteem, waarin boeren de melk kunnen bewaren. Maar hoe moet dat systeem eruit zien? Hoe komt het aan energie? Wat willen de boeren precies? “We werken samen met boerencoöperaties en melkfabrieken”, zegt Van der Valk. “We organiseren workshops waarin we ideeën bespreken. Verschillende voorstellen hebben we alweer laten varen. Voor een koelinstallatie op biogas zijn te veel koeien nodig. Solar panels zijn te duur. We denken nu aan koeling met hulp van water en wind, een simpele en goedkope technologie. Volgens de coöperaties hebben de boeren daar behoefte aan.</p>
<p>Maar dan moeten we nog steeds checken: hoe zit dat bij die boer áchter de coöperaties? Hoe gaan zij om met technologie? Wat willen ze betalen? Daar weten we nog te weinig van. Het is een uitdaging om aansluiting te krijgen bij lokale gebruikers.”<br />
Marktverkenning in ontwikkelingslanden is tijdrovend, en het is voor bedrijven niet altijd gemakkelijk om daarin te investeren. Kwalijker is dat bedrijven deze fase soms helemaal overslaan, omdat ze simpelweg denken te weten wat armen nodig hebben. Een misvatting, vindt Myrtille Danse, collega van Chevrollier en directeur van BoP Inc. “Er is een groot verschil tussen needs en demands. Het feit dat iemand ergens behoefte aan heeft, betekent niet dat hij er ook geld aan wil uitgeven. Mensen maken soms keuzes die in onze ogen niet rationeel zijn. Daar kunnen bedrijven en ngo’s zich enorm in vergissen.”<br />
Illustratief zijn de ervaringen van Philips met de ontwikkeling van een woodstove, een kooktoestel dat weinig brandstof gebruikt en weinig rook uitstoot. Philips probeerde dit apparaat aan de man te brengen met de boodschap dat het goed was voor de gezondheid. Dat sloeg niet aan. De verkoop begon pas te lopen toen Philips de boodschap veranderde: ‘Door minder rookontwikkeling blijven uw muren langer wit’.</p>
<p>Ken je klanten is dus het eerste motto voor wie de BoP wil betreden. Bedrijven ontdekken doorgaans al snel dat ze dat niet alleen kunnen. Datzelfde geldt voor ngo’s die kleinschalig ondernemerschap willen stimuleren. Uit onderzoek blijkt dat de meest geslaagde BoP-bedrijven worden geboren uit een partnerschap tussen bedrijven, ngo’s en kennisinstellingen. Zo werkt DSM voor het ontwikkelen van een medische testkit samen met ICCO en EPN, een netwerk voor verbeterde farmaceutische diensten in Afrika. En aan de wieg van het koelsysteem voor boeren in Ethiopië staan, behalve het LEI, onder andere SNV Ethiopië en Nederlandse ondernemers in de koeltechnieksector.<br />
Deze partijen hebben elkaar nodig in de BoP. Bedrijven hebben verstand van marktintroducties en business modellen. Ngo’s hebben verstand van de plaatselijke cultuur en sociale verhoudingen. Samen met de doelgroep ontwikkelen ze producten in een co-creatief proces van trial and error. Daar gaan maanden, soms jaren overheen. Wanneer de eerste proefprojecten succesvol zijn, dan wordt het product breed in de markt gezet.  Financieel hebben bedrijven en ngo’s elkaar eveneens nodig. De startfase kost veel tijd en energie, terwijl nog niet duidelijk is of het iets gaat opleveren. Een BoP-bedrijf komt meestal niet van de grond zonder donorgeld.</p>
<p><strong>Te veel donorgeld<br />
</strong> En daar zit de volgende, misschien nog grotere valkuil: het gevaar van te veel donorgeld. Myrtille Danse ziet het gebeuren in het door hongersnoden geplaagde Ethiopië, waar donoren de landbouwsector willen opbouwen. “Het probleem is dat donoren alles weggeven”, zegt Danse. “USAID pompt miljoenen euro’s in de landbouwsector en vliegt experts in. Maar zij zorgt niet voor betrokkenheid van lokale mensen, die capaciteit moeten opbouwen om te overleven wanneer de donoren zijn vertrokken.”<br />
Donorgeld is niet verkeerd, benadrukt Danse. “Zonder donorgeld komen dit soort innovaties moeilijk en langzaam van de grond. Maar wanneer er te veel donorgeld is, dan wordt een bedrijf nooit levensvatbaar.” De kunst is dan ook om het donorgeld verstandig in te zetten. Het speelt volgens Danse vooral een rol in de eerste fase, wanneer partners moeten uitvogelen of hun een idee kansrijk is. In de fase daarna, wanneer partners de eerste marktkansen zien, is het belangrijk dat ondernemingen en banken of private investeerders mee investeren. Ook lokale ondernemers moeten volgens Danse een aandeel nemen: “Op die manier ontstaat eigenaarschap.”</p>
<p>In praktijk wringt in deze fase vaak de schoen. Een veelbelovend bedrijfsidee, veelal bedacht door ngo’s, wordt te lang gevoed met donorgeld en donordenken. Het gevolg is dat het project niet voorbij de pilotfase komt. De sector heeft daar zelfs een woord voor uitgevonden: ‘pilotitis’, Een veelheid aan geïsoleerde projecten, die er geen van allen in slagen om uit te groeien tot levensvatbare bedrijven. “In Uganda struikel je erover”, zegt Nicolas Chevrollier. “Er zijn werkelijk honderden pilotprojecten in de BoP. Maar slechts een enkel initiatief haalt het tot de volgende fase.”<br />
‘Projectdenken’ van ngo’s botst hier nogal eens met ‘bedrijfsdenken’. Een bedrijf heeft geen einddatum, zoals een project. Een bedrijf moet groeien om te overleven. Juist in de onderkant van de markt is schaalgrootte van enorm belang. De winstmarges zijn laag en dat betekent dat de bedrijfswinst moet komen van grote volumes. Chevrollier:  “Dat zijn zaken waarover je bij een project doorgaans niet hoeft na te denken.”</p>
<p>De vraag is hoe je een startend bedrijf voorbij de pilotfase tilt. Een eerste voorwaarde is dat het business model zich gemakkelijk laat reproduceren. Een voorbeeld daarvan is Drishtee in India. Oprichter Satyan Mishra startte tien jaar geleden met het trainen van ondernemers om informatiekiosks te runnen. Dorpelingen kunnen daar terecht voor betaalde diensten, zoals microfinanciering en onderwijs. Vandaag heeft India meer dan 14.000 Drishtee-kiosks, die samen tien miljoen Indiërs bereiken. Het Dristhee-model waaierde uit naar drie Indiase staten en zelfs naar Rwanda.<br />
Een tweede factor van belang is het distributiekanaal. Veel bedrijven doen het lokaal prima, maar weten niet hoe ze een klantenkring moeten opbouwen in andere steden of regio’s. Bij het LEI zetten ze al de tanden in dit vraagstuk, terwijl het koelsysteem voor boeren nog op de tekentafel ligt. “We denken nu al na over de schaalbaarheid en het verdienmodel”, zegt Olga van der Valk. “We werken weliswaar samen met boerencoöperaties, maar 95 procent van de boeren is ongeorganiseerd. Hoe bereiken we die? We willen partnerschappen sluiten met lokale bedrijven die hier markt in zien.”<br />
Ten slotte is het zaak om ook in de uitrolfase voldoende financiering te krijgen. Voor nieuwe werkplaatsen of fabrieken, of voor leningen aan micro- franchisenemers. En dat is minder eenvoudig dan het lijkt. Veel lokale bedrijven in de BoP zijn te groot voor microfinanciering, maar onvoldoende kredietwaardig voor gevestigde banken. Ze vallen tussen wal en schip. Zelfs het succesvolle Drishtree worstelt om aan geld te komen, zegt oprichter Satyan Mishra in een studie van Hystra: “Alle micro-ondernemers van Drishtee hebben een individuele lening nodig. Dat is moeilijk omdat ze unbankable zijn.”Mishra noemt gebrek aan financiering een belangrijke rem op de groei van de onderneming.</p>
<p>Bedrijven, ngo’s  en financiers in de BoP staan voor twee belangrijke uitdagingen. De eerste uitdaging is om een einde te maken aan ‘pilotitis’. De tweede uitdaging is te zorgen voor passende financiering in alle fasen van het BoP-traject: durfkapitaal in de onzekere incubatiefase, slim ingezet donorgeld in de pilotfase en passende leningen voor het midden- en kleinbedrijf in de uitrolfase. Volgens Nicolas Chevrollier is financiering momenteel het meest innovatieve domein in de BoP: “Donoren en ideële financiers moeten nieuwe manieren van financiering bedenken, tussen giften en leningen in.” Het nieuwe buzzword is impact financing: investeringen met financieel rendement, waarmee je ook sociale resultaten haalt. Chevrollier: “Dat is nieuw, niemand heeft er ervaring mee. Maar ik voorspel dat er op korte termijn nieuwe partijen opstaan die deze ruimte gaan vullen.”<br />
<span style="color: #800000;"><strong> </strong></span></p>
<p><span style="color: #800000;"><strong>Kees de Glopper, projectmanager Ubora wa Dawa bij DSM<br />
Testkit medicijnen</strong><br />
“In Kenia is 30 tot 40 procent van de medicijnen onder de maat. Het gaat deels om namaakmedicijnen. Dat bracht ons op het idee om een testkit te ontwikkelen waarmee ziekenhuizen en klinieken de kwaliteit van medicijnen kunnen vaststellen. We weten dat er behoefte aan is. Maar behoefte is nog geen vraag. Willen mensen zo’n testkit ook echt gaan gebruiken? Voor een haalbaarheidsstudie zijn in heel Kenia mensen geïnterviewd. Niet iedereen is laaiend enthousiast. Anderen zien het wel zitten. Ik blijf me echter afvragen of de informatie objectief is en zonder bijbedoelingen. Spreken mensen de waarheid? Of verdienen ze nu misschien geld aan substandaard medicijnen? Het is buitengewoon moeilijk om zicht te krijgen op de productie en consumptie van slechte medicijnen. Het is nog moeilijker om te achterhalen hoeveel mensen erdoor overlijden.<br />
We werken ons idee nu uit met ICCO en EPN, een netwerk voor verbeterde farmaceutische diensten in Afrika. De financiering komt van het Ministerie van Buitenlandse zaken en van DSM. We krijgen echter lang niet alle uren vergoed die we erin stoppen. Je moet dit doen met je hart en je moet er geloof in hebben. Er zijn veel beren op de weg. En sommige beren blijven je aanstaren.”</span></p>
<p><span style="color: #333300;"><strong>Adriaan Mels, regionaal projectdirecteur Oost-Afrika voor Vitens Evides International<br />
Financieel gezond drinkwater</strong><br />
“Vitens-Evides International werkt al zeven jaar met waterbedrijven in ontwikkelingslanden. Hun financiële positie is vaak slecht. Ze hebben een oud netwerk, veel niet-betalende klanten en veel lekkages. Door hun lage inkomsten kunnen ze weinig investeren in uitbreiding en onderhoud. We helpen hen eerst met technische assistentie: lekken dichten en het bedrijf financieel gezond maken. Daarnaast helpen we met het ontwikkelen van een visie voor uitbreiding van het aantal aansluitingen.<br />
Doorgaans verbetert de financiële positie na een aantal jaren. De tarieven gaan omhoog en de service verbetert. De eerste acht bedrijven die wij steunden in Mozambique, zijn nu financieel gezond. Het aantal betalers steeg daar van 40 naar 80 procent.<br />
We proberen algemene lessen te trekken uit onze ervaringen. Er zijn zo’n tien, twaalf problemen die bij alle partners terugkomen, zoals lekkages en illegale aansluitingen. We evalueren verschillende aanpakken en kijken of we daaruit een standaardaanpak kunnen ontwikkelen.<br />
Een voorbeeld is het aanstellen van een ‘wijkfitter’: één contactpersoon die dicht bij de klant staat, en die het aanspreekpunt is voor lekkages, metingen en betalingen. Je ziet bij waterbedrijven dat de verantwoordelijkheden heel gefragmenteerd zijn. Reparaties moeten soms langs de directeur. Met zo’n wijkfitter wordt de bedrijfsvoering veel efficiënter en verbeter je de service.”</span></p>
<p><span style="color: #000080;"><strong>BoP Innovation Center</strong><br />
Het BoP Innovation Center (BoP Inc) ontwikkelt samen met bedrijven innovaties die het welzijn van mensen in de BoP verbeteren. Het centrum vertegenwoordigt een alliantie van kennisinstellingen, platformorganisaties en maatschappelijke organisaties. Partners zijn onder meer het Global Compact Network Netherlands, TNO, Wageningen UR, ICCO, SNV en een groeiend aantal bedrijven wereldwijd. BoP Inc financiert geen projecten, maar speelt de rol van incubator, aanjager, onderzoeker en kennismakelaar. Momenteel is BoP Inc betrokken bij initiatieven op het terrein van duurzame voedselsystemen, rurale elektrificatie en veilig drinkwater en sanitatie.<br />
BoP Inc hanteert twee strategieën: het steunt bedrijven bij het ontwikkelen van nieuwe pilot-projecten ‘van onderop’, in een samenwerkingsproces met de doelgroep. Daarnaast inventariseert BoP Inc welke business modellen al hebben gewerkt, om van daaruit met bedrijven nieuwe strategieën te ontwikkelen. BoP Inc heeft daartoe studies gedaan naar energie, water en ICT.<br />
<a href="http://www.bopinc.org"> www.bopinc.org</a></span></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2011/11/ken-je-klanten/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Kapotte bus en leeg kippenhok</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2011/09/kapotte-bus-en-leeg-kippenhok/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2011/09/kapotte-bus-en-leeg-kippenhok/#comments</comments>
		<pubDate>Thu, 22 Sep 2011 08:51:45 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=725</guid>
		<description><![CDATA[
MyWorld magazine, september 2011
Een kleinschalig ontwikkelingsproject verduurzamen. Hoe doe je dat? Simpel: door te zorgen dat het geld ter plekke wordt verdiend. Ook de stichting van redacteur Mirjam Vossen probeerde het, maar bakte er weinig van. Op verkenning bij twee collega’s die het beter doen.
Ontwikkelingsprojecten koppelen aan een commerciele activiteit. Dat leek onze stichting wel [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/09/feature_kippenhok-400x290.png"><img class="alignright size-medium wp-image-726" title="feature_kippenhok-400x290" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/09/feature_kippenhok-400x290-300x217.png" alt="feature_kippenhok-400x290" width="300" height="217" /></a></p>
<p><em>MyWorld magazine, september 2011</em></p>
<p><strong>Een kleinschalig ontwikkelingsproject verduurzamen. Hoe doe je dat? Simpel: door te zorgen dat het geld ter plekke wordt verdiend. Ook de stichting van redacteur Mirjam Vossen probeerde het, maar bakte er weinig van. Op verkenning bij twee collega’s die het beter doen.</strong></p>
<p>Ontwikkelingsprojecten koppelen aan een commerciele activiteit. Dat leek onze stichting wel wat. Al jaren steunden we onderwijsprojecten in Malawi. En die moesten toch eens verder zonder donaties uit Nederland. Onze partner had er wel oren naar. Al snel waren we het eens over de eerste investering: een minibus die commerciële ritten zou gaan rijden in de stad. Met de winst van de bus hoopten we een schooltuin te financieren voor leerlingen van groep acht.<span id="more-725"></span></p>
<p>Amper een jaar later stortten we ons in een tweede commercieel avontuur: een kippenfokkerij op het schoolterrein, ditmaal gerund door ouders en leerkrachten. De winst zou terugvloeien in een dagelijks ontbijt voor alle leerlingen. Weer een jaar later waren we twee ervaringen rijker en twee illusies armer. De minibus stond zieltogend onder een boom. Het voertuig had zo vaak pech dat het onderhoud meer kostte dan de bus opbracht. In de kippenhokken viel geen kip meer te bekennen. De verkoop ging trager dan gepland, waardoor er steeds minder geld in kas was om nieuwe kuikens te kopen. Na een jaar was het kapitaal opgedroogd. Geen winst, weg investering.</p>
<p>We deden iets verkeerd. Maar wat? Hoog tijd om onze initiatieven eens te vergelijken met die van twee andere doe-het- zelvers. Bijvoorbeeld met SYPO, een Nederlandse organisatie die in Afrika ondernemende projecten opzet. SYPO financierde in Uganda een yoghurtfabriek van hulporganisatie Pat the Child. De winst gaat naar de opvang van weeskinderen bij gezinnen in de buurt. En met Ideas at Work, een organisatie die eigenaar is van een touwpompenfabriek in Cambodja. Deze fabriek levert goedkope drinkwaterpompen aan duizenden dorpen.</p>
<p>Eerst de kippenfokkerij, bestierd door leraren en ouders. Wat we leren van SYPO en Ideas at Work is dit: zij trokken nieuwe, commerciële mensen aan voor de yoghurt- en de touwpompenfabriek. “Pat the Child had zelf niet de kennis in huis om een fabriek op te zetten”, zegt Duko Hopman, directeur van SYPO. Ook Angelique Smit, directeur van Ideas at Work, zocht commercieel talent. Smit woonde acht jaar in Cambodja en hoewel haar fabriek een sociale onderneming is, besefte Smit dat ze geen welzijnswerkers, maar ‘onafhankelijke managers en verkopers’ nodig had. Het leek in Malawi zó logisch dat onder- wijzers en ouders zelf de kippenfokkerij beheerden. Maar goed contact en een vertrouwensband bleken niet genoeg. Ze ontbeerden elke ervaring met het benaderen van klanten, het zoeken naar afzetmarkten of het efficiënte gebruik van investeringen. “Het is een fout die ik overal zie”, zegt Smit. “Schoolmeesters, dokters en toeristengidsen zijn géén verkopers. Wanneer je een commercieel project wilt starten, ga dan liever praten met een succesvolle ondernemer in het dorp.”</p>
<p>Dan de minibus. Die was wél in handen van een lokale ondernemer. Een onder- nemer die bovendien met succes twee andere minibusjes uitbaatte. Aan kennis en zakelijk inzicht ontbrak het hem niet. Althans, niet wat zijn eigen busjes betrof. Wat we hier kunnen leren van Ideas at Work is dit: Angelique Smit zorgde van meet af aan voor een commercieel belang bij de onderneming. Ze draaide stapsgewijs de donorkraan dicht en dwong haar  managers om commercieel te denken.</p>
<p>De touwpompenfabriek draait nu voor 75 procent op zelf verdiende inkomsten. “De medewerkers weten niet dat er nog altijd subsidie naar het bedrijf gaat”, zegt Smit. “Ze denken dat de fabriek helemaal zelf het hoofd boven water moet houden. Dat geeft onrust. Maar een betere prikkel om te ondernemen is er niet.”</p>
<p>En die prikkel ontbrak bij ‘onze’ Malawiaanse ondernemer. Hij kreeg de minibus als het ware in zijn schoot geworpen. Een deel van de winst mocht hij afromen voor onderhoud en salarissen. De rest zou naar het project gaan. Die ‘rest’ bleef dus uit. Waarom zou hij extra ritten rijden en investeren in onderhoud, wanneer de extra omzet hem niets opleverde? Bovendien, wanneer de bus geen winst maakte, dan had niet hij, maar onze stichting een probleem.</p>
<p>Tussen doneren en winst maken zit een spanningsveld. Zonder donorgeld komen veel commerciële activiteiten nu eenmaal niet van de grond. Wanneer het donorgeld echter als vangnet blijft fungeren, dan is het bedrijf evenmin levensvatbaar. Het is een dilemma waar SYPO ook vandaag nog mee worstelt. Ondanks het feit dat de yoghurtfabriek winst maakt, is die prikkel er volgens Duko Hopman onvoldoende. “De scheiding tussen de fabriek en het hulpproject is niet ver genoeg doorgevoerd”, zegt hij. “Het management overlapt en heeft vooral een sociaal hart. Daardoor worden niet altijd de beste zakelijke beslissingen genomen. Ze vinden het moeilijk om geld opzij te zetten voor afschrijvingen, wanneer er iedere dag weeskinderen op de stoep staan. De fabriek zou veel meer winst kunnen maken dan nu het geval is.” Stichting SYPO zet geen commerciële projecten meer op met ideële organisaties, maar werkt uitsluitend met leningen aan particuliere ondernemers. “Mensen moeten helemaal zelf verantwoordelijk zijn voor de risico’s”, zegt Hopman.</p>
<p>En onze stichting? De kans is klein dat wij ons nog aan een nieuw commercieel avontuur wagen. Het ontbreekt onze partner  niet aan nieuwe ideeën, maar de kapotte bus en de lege kippenhokken liggen nog te vers in ons geheugen. Als we de sprong ooit nog eens wagen, zullen we ons huis- werk beter doen dan de afgelopen keren. Ook dat is winst.</p>
<p><strong>Ton van der Lee, auteur van Kinderen van Afrika, reageert op dit artikel: <a href="http://www.myworld.nl/2011/09/%E2%80%98je-kunt-iemand-een-duwtje-geven-maar-hij-moet-zelf-springen-%E2%80%99/">‘Je kunt iemand een duwtje geven, maar hij moet zelf springen.’</a></strong></p>
<p><strong><br />
</strong></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2011/09/kapotte-bus-en-leeg-kippenhok/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Het gaat niet alleen slecht in Afrika</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2011/09/geen-eindeloze-crisis/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2011/09/geen-eindeloze-crisis/#comments</comments>
		<pubDate>Sat, 17 Sep 2011 06:11:15 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=717</guid>
		<description><![CDATA[Spectrum, 10 september 2011
In de Hoorn van Afrika verhongeren weer mensen. Vooral in Somalië is een duurzame oplossing voor de honger en armoede nog ver weg, zegt Thea Hilhorst, hoogleraar Humanitaire hulp en wederopbouw. Maar in andere voormalige crisisgebieden, zoals Rwanda, gaat het inmiddels veel beter.

 
In de hoorn van Afrika is het weer raak. [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/09/IMG_3392.JPG"><img class="alignright size-medium wp-image-718" title="IMG_3392" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/09/IMG_3392-300x200.jpg" alt="IMG_3392" width="300" height="200" /></a>Spectrum, 10 september 2011</em></p>
<p><strong>In de Hoorn van Afrika verhongeren weer mensen. Vooral in Somalië is een duurzame oplossing voor de honger en armoede nog ver weg, zegt Thea Hilhorst, hoogleraar Humanitaire hulp en wederopbouw. Maar in andere voormalige crisisgebieden, zoals Rwanda, gaat het inmiddels veel beter.<span id="more-717"></span><br />
</strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<p>In de hoorn van Afrika is het weer raak. In het gebied heerst de ergste droogte sinds 60 jaar en meer dan tien miljoen mensen hebben dringend behoefte aan voedsel en medicijnen. Hulporganisaties voerden massaal actie, met schrijnende foto’s van vluchtende families en stervende kinderen. De actie leverde tot nog toe 21 miljoen euro op. Maar onze tegenzin groeit: uit onderzoek van Motivaction blijkt dat de helft van Nederlanders niet van plan is om te geven aan Afrika. Steeds meer mensen twijfelen of de hulp wel goed terecht komt en vragen zich af waarom Afrika maar niet vooruit gaat. Lost noodhulp wel iets op? Is het niet beter om landen als Somalië, waar de honger het ergst is, aan hun lot over te laten?</p>
<p>De vragen zijn terecht. Toch moet er eerst een misverstand de wereld uit: het gaat wel degelijk beter met Afrika. Het afgelopen decennium zijn de meeste Afrikaanse economieën hard gegroeid, met gemiddeld 7 procent per jaar. Ook Afrika werd getroffen door de economische crisis, maar herstelde zich sneller dan Europa. Volgens het IMF groeien de economieën van zuidelijk Afrika dit jaar met gemiddeld 5,5%. Het Fonds verwacht dat de komende jaren maar liefst zeven Afrikaanse landen in de top 10 van de snelst groeiende economieën ter wereld staan. Nu levert een paar procent groei in een straatarm Afrikaans land nog weinig op. Maar bemoedigend is het wel.</p>
<p>Afrika wordt bovendien steeds veiliger. In de jaren 70 en 80 werd het continent nog verscheurd door tientallen oorlogen en conflicten. Vandaag reis je van Kenia naar Mali of van Tsjaad naar Mozambique zonder op oorlogen te stuiten. Op dit moment wordt er vooral nog gevochten in het zuiden van Nigeria, het westen van Soedan, het oosten van Congo en het zuiden van Somalië.</p>
<p>Ten slotte wordt voor veel Afrikanen het leven steeds beter. Die vooruitgang is er vooral op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg. Volgens de Verenigde Naties gaan acht van de tien Afrikaanse kinderen gaan naar school. De kindersterfte daalt snel. Steeds meer mensen hebben toegang tot schoon water en de aidsepidemie is op zijn retour.</p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong>Genocide</strong></p>
<p>Die hoopvolle ontwikkeling staat in schril contrast met de situatie in de hoorn van Afrika, vooral Somalië. Dat de hongersnood juist in Somalië toeslaat, ligt ogenschijnlijk voor de hand: het land is droog en schraal. Grote delen van Somalië zijn nauwelijks geschikt voor kleinschalige landbouw, waar het gros van de mensen van leeft. Een veel groter probleem is echter de politieke instabiliteit. Somalië raakte begin jaren 90 verzeild in een burgeroorlog. De hoofdstad Mogadishu, ooit de witte parel aan de Indische Oceaan, ligt er kapotgeschoten bij. Sinds 1991 heeft het land geen effectieve centrale regering meer. De radicaal-islamitische beweging Al Shabaab heeft grote delen van het land in handen, inclusief het gebied waar nu hongersnood heerst.</p>
<p>Somalië krijgt veel hulp uit het Westen. Per jaar ontvangt het 460 miljoen euro aan officiële ontwikkelingshulp, ongeveer 50 euro per inwoner per jaar. Dat geld komt vooral van de Verenigde Staten, die in de officiële regering van Somalië een bondgenoot ziet in de strijd tegen islamitisch terrorisme. Deze regering heeft vooralsnog echter zijn handen vol aan het bestrijden van Al Shabaab, en het terugwinnen van de controle over grote delen van het land. In de gebieden waar Al Shabaab regeert, hebben hulporganisaties te maken met intimidatie, afpersing en bedreiging.</p>
<p>Dat verklaart waarom ontwikkelingshulp weinig zoden aan de dijk zet. “Structurele ontwikkeling, dat is op dit moment niet te doen in Somalië”, zegt Thea Hilhorst, hoogleraar Humanitaire hulp en wederopbouw aan de Wageningen Universiteit. “Er is amper sprake van een staat. Zolang die er niet is, kun je met officiële hulp weinig bereiken. Er zal in Somalië eerst een politieke oplossing moeten komen.”</p>
<p><strong>Massamoord</strong></p>
<p>Is de situatie in Somalië uitzichtloos? Dat hoeft niet. Het gaat namelijk ook beter in Afrikaanse landen die er relatief kort geleden even slecht voorstonden als Somalië vandaag. Een indrukwekkend voorbeeld is Rwanda. In het voorjaar van 1994 was dit kleine land het toneel van een gruwelijke massamoord. Extremistische Hutu’s moordden bijna een miljoen Tutsi’s uit, op een bevolking van amper zeven miljoen mensen. Na de genocide werd meer dan een miljoen mensen gearresteerd op verdenking van moord, verkrachting, diefstal of medeplichtigheid. De nieuwe regering stond voor de haast onmogelijke taak om dit reddeloze en diep getraumatiseerde land weer op te bouwen.</p>
<p>Dat was 1994. Het verschil met 2011 kan niet groter zijn. Nog steeds worstelt tweederde van alle Rwandezen met de gevolgen van de genocide. Maar 17 jaar later is Rwanda een van de veiligste landen van Afrika. In de hoofdstad Kigali wandel je ’s avonds even onbekommerd op straat als in Enschede of Eindhoven. De prachtige natuur van Rwanda – het Toscane van Afrika – trekt steeds meer toeristen. Kinderarbeid zakte de afgelopen tien jaar van meer dan dertig procent naar minder dan tien procent. Het onderwijs bloeit: van alle jongeren kan meer dan 90 procent lezen en schrijven. De regering spant zich in om vrouwen vooruit te helpen. En met succes: 56 procent van alle parlementariërs in Rwanda is vrouw. Dat is het hoogste percentage ter wereld.</p>
<p>Ook Rwanda ontvangt veel ontwikkelingsgeld uit het Westen: zo’n 650 miljoen euro per jaar, ongeveer 65 euro per hoofd van bevolking. Dat geld wordt echter goed geïnvesteerd in onderwijs en gezondheidszorg, in het opbouwen van een rechtstraat en het herstel van de economie. Daar komt bij dat Rwanda volgens de Transparency International Index een van de minst corrupte landen van Afrika is. Wie betrapt wordt op het aannemen van smeergelden, vliegt eruit. Van president Paul Kagame wordt gezegd dat hij uiterst sober leeft. Hij ontvangt zijn internationale gasten niet met staatsbanketten in een paleis, maar met een glas water in een kaal kantoor.</p>
<p>“Het grote verschil met Somalië is dat Rwanda een sterke, krachtige regering heeft”, zegt Thea Hilhorst. “Die regering heeft na de genocide heel veel steun uit het buitenland gekregen. Daarmee heeft het land een enorme groei doorgemaakt.” De problemen in Rwanda zijn echter niet voorbij. De armoede is nog altijd hardnekkig. Op het platteland leeft meer dan de helft van de mensen van minder dan één dollar per dag. En de ‘sterke staat’ heeft een keerzijde: de regering laat weinig kritiek en oppositie toe. Hilhorst is er dan ook niet helemaal gerust op de toekomst: “Er zijn nog veel problemen. Het land is overbevolkt en er is weinig industrialisering. De opbouw gaat op de punt van het geweer: het land is bijna een dictatuur. Dat kan een tijd goed gaan, maar op een gegeven moment kan de sociale onrust weer gaan broeden.”</p>
<p>Het is waar dat een succesvol opgeklommen land als Rwanda weer af kan glijden. Het is even waar dat een schijnbaar uitzichtloos land als Somalië de weg omhoog kan vinden. Een politieke oplossing is echter vereist, voordat ontwikkelingshulp in Somalië echt effect kan sorteren. Tot die tijd zit er niet anders op dan noodhulp te geven, ook al groeit de tegenzin.</p>
<p><strong>KADER: een koe per familie</strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<p>Het gezin van Esther Hakizimana uit Rubengera kreeg een koe van de Rwandese overheid. Ze ontving bovendien een kleine lening voor een biogasinstallatie. Daarmee wordt de koeienpoep verwerkt tot biogas. Voor Esther betekent dat een enorme vooruitgang: ze hoeft geen hout meer te kopen en geen rook meer in te ademen. De koeien leveren bovendien mest voor haar akker. Het gezin heeft inmiddels drie koeien. Met de verkoop van melk vullen ze het gezinsinkomen aan met zo’n honderd euro per maand.</p>
<p>‘Een koe per familie’ is een programma waarmee de overheid de levensomstandigheden op het platteland probeert te verbeteren. Het is de bedoeling dat 350.000 arme families in Rwanda een koe ontvangen. De teller staat inmiddels op 92.000. De voorwaarde is dat het gezin het eerste kalf weggeeft aan een ander gezin in het dorp. Daarmee hoopt de regering het gemeenschapsgevoel te versterken dat tijdens de genocide aan flarden werd gescheurd.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2011/09/geen-eindeloze-crisis/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Obesitas nieuwe ramp voor ontwikkelingslanden</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2011/07/obesitas-nieuwe-ramp-voor-ontwikkelingslanden/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2011/07/obesitas-nieuwe-ramp-voor-ontwikkelingslanden/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 29 Jul 2011 12:28:03 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=705</guid>
		<description><![CDATA[Spectrum (zaterdagbijlage Wegener-dagbladen), 23 juli 2011
In ontwikkelingslanden neemt het aantal armen met overgewicht schrikbarend toe. De gezondheidszorg is daar niet op toegerust. De gevolgen kunnen even dramatisch zijn als die van de aids-epidemie. 
De dakloze Orina slijt haar dagen op een pleintje in de Filippijnse hoofdstad Manilla. Vanaf haar bankje kijkt ze uit op de [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/07/Raw00733.JPG"><img class="alignright size-medium wp-image-708" title="Raw00733" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/07/Raw00733-200x300.jpg" alt="Raw00733" width="120" height="180" /></a>Spectrum (zaterdagbijlage Wegener-dagbladen), 23 juli 2011</em></p>
<p><strong>In ontwikkelingslanden neemt het aantal armen met overgewicht schrikbarend toe. De gezondheidszorg is daar niet op toegerust. De gevolgen kunnen even dramatisch zijn als die van de aids-epidemie. </strong></p>
<p>De dakloze Orina slijt haar dagen op een pleintje in de Filippijnse hoofdstad Manilla. Vanaf haar bankje kijkt ze uit op de ingang van de Binondo-kerk. Achter haar rug ligt de plaatselijke McDonalds. Van kerkgangers krijgt ze af en toe een aalmoes. Uit de afvalbak van McDonalds haalt ze haar dagelijkse portie kipnuggets en friet. Eén ding valt onmiddellijk op aan Orina: de straatarme vrouw is moddervet.<span id="more-705"></span></p>
<p>Een zwerfster met obesitas? Dat lijkt een paradox, maar dat is het niet.  Want in ontwikkelingslanden neemt het aantal dikke mensen in onrustbarend tempo toe. Niet alleen de rijken worden zwaarder, maar ook de armsten, zoals Orina.</p>
<p>Over één ding mag geen misverstand bestaan: in arme landen is ondergewicht nog altijd een veel hardnekkiger probleem dan overgewicht. In India is bijna de helft van de kinderen onder de vijf ondervoed. In de Filippijnen is dat een derde, in Afrika een kwart. Maar tegelijkertijd groeit in Azië en Afrika het aantal mensen dat te zwaar is. Onderzoekers zien dat het aantal zwaarlijvigen in alle lagen van de bevolking toeneemt. Maar opmerkelijk genoeg is de stijging het sterkst onder de armsten, vooral in de steden.  Inmiddels lijdt één op de vijf arme Afrikaanse stadsbewoners aan overgewicht. Dat is dubbel zo veel als tien jaar gelden. Vooral bij vrouwen met een laag inkomen en weinig opleiding vliegen de kilo’s er aan.</p>
<p><strong>Armoedeprobleem </strong></p>
<p>“Ook in Azië en Afrika wordt obesitas een armoedeprobleem.” Dat zegt Jaap Seidell, hoogleraar voeding en gezondheid aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. “Zwaarlijvigheid was ooit een teken van welstand: wie niet hoefde te werken en te bewegen, werd dik. In Amerika en Europa is overgewicht inmiddels vooral een probleem van de lagere sociale klassen. En dat geldt nu ook voor ontwikkelingslanden.“</p>
<p>Neem Charity Chingwo uit de sloppenwijk Ndirande in Malawi, een straatarm land in het zuiden van Afrika. De 34-jarige Charity zucht letterlijk onder haar gewicht. Een jaar geleden verloor ze haar man en sindsdien zorgt in haar eentje voor twee tienerzoons. Ze heeft geen werk en kan met moeite de eindjes aan elkaar knopen. “Als kind was ik dun”, zegt Charity. “Maar na mijn huwelijk begon ik te groeien.” Charity meent dat dik zijn ‘in de familie zit´. Maar haar moeder en vriendinnen weten wel beter: Charity beweegt nauwelijks. Sinds ze in de stad woont, brengt ze grote delen van de dag zittend in haar huisje door.</p>
<p>Daarmee staat Charity symbool voor de onderliggende oorzaak van het toenemende overgewicht in arme landen: de razendsnelle verstedelijking. In Afrika en Azië verhuizen mensen in groten getale van het platteland naar de steden. Daar komen ze meestal terecht in dichtbebouwde sloppenwijken. “De trek naar de stad verandert het leefpatroon”, zegt Jaap Seidell. “Mensen hebben geen werk en bewegen weinig. Ze leven van goedkoop straatvoedsel vol zoet, vet en zout. Fastfood is er spotgoedkoop. Veel mensen koken niet meer thuis, want daarvoor heb je een haardvuur en hout nodig. Het is goedkoper om een gefrituurde snack te halen op straat. Dat is allemaal ongezond.”</p>
<p>In het Indiase New Dehli eet 70 procent van de mensen fastfood omdat het zo ontzettend goedkoop is, weet Seidell. In Brazilië, zo blijkt uit onderzoek van landbouworganisatie FAO, zijn bewerkte meel- en vleesproducten, zoetigheden en frisdrank de meest gegeten voedingswaren in arme stadswijken.</p>
<p>De verstedelijking gaat hard. Op de Filippijnen woonde dertig jaar geleden nog maar 37 procent van de mensen in de stad. Binnenkort is dat 70 procent. In Malawi, nu nog een van de minst verstedelijkte landen van Afrika, verdubbelde het aantal stadsbewoners in twintig jaar tijd.</p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong>Tijdbom</strong></p>
<p>Orina ligt ogenschijnlijk ontspannen op haar bankje. Ogenschijnlijk, want Orina kan nog maar amper lopen. Haar benen willen niet meer en ze is doorlopend moe. Mensen met overgewicht zijn niet alleen minder mobiel, ze zijn ook vatbaarder voor chronische ziekten als diabetes, hartklachten en een hoge bloeddruk. In arme landen neemt het aantal patiënten met deze aandoeningen razendsnel toe. Maar de zwakke gezondheidszorgsystemen zijn daar helemaal niet op toegerust. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie WHO gaan ontwikkelingslanden gebukt onder een ´dubbele ziektelast´: terwijl ze strijden tegen hardnekkig ondergewicht en infectieziekten,  groeit het aantal mensen met overgewichtsziekten. Overgewicht en ondergewicht komen naast elkaar voor in hetzelfde land, dezelfde wijk en soms zelfs in hetzelfde gezin.</p>
<p>Obesitas legt een tijdbom onder ontwikkelingslanden. Volgens Jaap Seidell zal het de komende decennia een ware ramp veroorzaken. Vooral de snelle groei van het aantal armen met diabetes wordt een drama, zegt Seidell: “Ik ken een dorp in Bangladesh waar twintig procent van de volwassenen diabetes heeft. In ons land is daar goed mee te leven. Maar in dat dorp is amper insuline. Mensen worden niet behandeld. Dat leidt tot voetamputaties, chronische nierklachten en blindheid. Mensen kunnen niet meer werken en overlijden vaak binnen korte tijd. Gezinnen verliezen een kostwinner. Dat is voor huishoudens een economische ramp, die vergelijkbaar is met de gevolgen van de aids-epidemie in Afrika.”</p>
<p>Een eenvoudige oplossing is er niet. Al was het maar omdat veel mensen hun overgewicht nauwelijks als een probleem ervaren: in arme landen is een stevig figuur nog altijd een teken van welstand en status. Ook de politiek voelt nog nauwelijks de urgentie. De aandacht gaat nog volop naar het bestrijden van honger en infectieziekten, niet naar het tegengaan van chronische ‘welvaartszieken’.</p>
<p>“Preventie is van groot belang”, zegt Jaap Seidell. “Je moet daarbij zo vroeg mogelijk beginnen. Het liefst bij moeders, die voorlichting moeten krijgen over het belang van borstvoeding en gezonde voeding voor hun kind. “ Tegelijkertijd is er volgens Seidell ‘een revolutie nodig ‘in de gezondheidszorg in arme landen. “Je moet daar artsen hebben die weten hoe je ziekten als diabetes opspoort en behandeld. Die zijn er nu te weinig.”</p>
<p>Charity Chingwe kan zich niet herinneren dat ze ooit voorlichting over voeding heeft gehad. Maar inmiddels is ze haar dikke lichaam meer dan zat: “Malawianen vinden het mooi wanneer een vrouw een beetje zwaar is. Maar zo zwaar als ik ben, dat is ook weer niet de bedoeling. Ik kan niet rennen, ik kan niet knielen en ik kan niet bukken om kleren te wassen. Ik zie er tegenop om naar de winkel te gaan voor een pak suiker. Dat kost me te veel inspanning.” Ze is vastbesloten om dunner te worden. Maar hoe ze dat moet aanpakken, daarvan heeft ze vooralsnog geen idee.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2011/07/obesitas-nieuwe-ramp-voor-ontwikkelingslanden/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>MEEDOEN: betrek kinderen met een handicap bij je project</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2011/05/meedoen-betrek-kinderen-met-een-handicap-bij-je-project/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2011/05/meedoen-betrek-kinderen-met-een-handicap-bij-je-project/#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 24 May 2011 15:14:48 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=691</guid>
		<description><![CDATA[Hoe betrek je mensen met een handicap bij je project? Daarover schreven Mirjam Vossen en Marga van Zundert een praktische wegwijzer. Het is bedoeld voor iedereen die betrokken is bij ontwikkelingsprojecten. 
Een op de vijf mensen in ontwikkelingslanden heeft een handicap. Vaak zijn zij moeilijk zichtbaar voor de buitenwereld, en profiteren zij niet vanzelf van [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2009/02/MEEDOEN.png"><img class="alignright size-medium wp-image-675" title="MEEDOEN" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2009/02/MEEDOEN-185x300.png" alt="MEEDOEN" width="111" height="180" /></a><strong>Hoe betrek je mensen met een handicap bij je project? Daarover schreven Mirjam Vossen en Marga van Zundert een praktische wegwijzer. Het is bedoeld voor iedereen die betrokken is bij ontwikkelingsprojecten. </strong></p>
<p>Een op de vijf mensen in ontwikkelingslanden heeft een handicap. Vaak zijn zij moeilijk zichtbaar voor de buitenwereld, en profiteren zij niet vanzelf van ontwikkelingsprojecten. MEEDOEN laat zien dat je met relatief weinig moeite al veel voor kinderen met een handicap kunnen betekenen. MEEDOEN is een co-productie van Uitgeverij Wereldpodium en het Liliane Fonds. Het Liliane Fonds stelt het boek gratis beschikbaar. Kijk op <a href="http://www.lilianefonds.nl/nieuws/uitgelicht/kennis-en-ervaring-delen-via-expertmeetings.html">www.lilianefonds.nl</a>.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2011/05/meedoen-betrek-kinderen-met-een-handicap-bij-je-project/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Herziene uitgave Eerste hulp bij ontwikkelingswerk</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2011/05/herziene-uitgave-ehbo/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2011/05/herziene-uitgave-ehbo/#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 24 May 2011 15:05:54 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=688</guid>
		<description><![CDATA[In mei 2011 verscheen de vierde, herziene uitgave van Eerste hulp bij ontwikkelingswerk. De afgelopen jaren vond deze praktische gids zijn weg naar duizenden vrijwilligersgroepen die betrokken zijn bij ontwikkelingsprojecten. De herziene uitgave belicht nieuw onderzoek naar projecten van particulieren en schetst de actuele subsidiemogelijkheden. Daarnaast is er extra informatie over de rol van de [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>In mei 2011 verscheen de vierde, herziene uitgave van Eerste hulp bij ontwikkelingswerk. De afgelopen jaren vond deze praktische gids zijn weg naar duizenden vrijwilligersgroepen die betrokken zijn bij ontwikkelingsprojecten. De herziene uitgave belicht nieuw onderzoek naar projecten van particulieren en schetst de actuele subsidiemogelijkheden. Daarnaast is er extra informatie over de rol van de overheid, het evalueren van projecten en het opzetten van commerciële activiteiten om je project te financieren.</p>
<p>Bestellen: <a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu">www.uitgeverijwerereldpodium.nu</a>.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2011/05/herziene-uitgave-ehbo/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Wat van ver komt, is handig</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2011/03/wat-van-ver-komt-is-handig/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2011/03/wat-van-ver-komt-is-handig/#comments</comments>
		<pubDate>Sat, 05 Mar 2011 07:24:05 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=665</guid>
		<description><![CDATA[IS, maart 2011
Innovatie is voor de koopkrachtige mensen in rijke landen. De armen moeten het met de afdankers doen. Tenminste, zo was het ooit. Maar steeds vaker loopt de route andersom.
Aan de vooravond van de financiële crisis opent in de wijk Queens in New York een nieuwe bank zijn deuren. Het is geen gewone bank [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><a href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/03/artikel-IS1.jpg"><img class="alignright size-thumbnail wp-image-667" title="artikel IS" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/03/artikel-IS1-150x150.jpg" alt="artikel IS" width="150" height="150" /></a><em>IS, maart 2011</em></p>
<p><strong>Innovatie is voor de koopkrachtige mensen in rijke landen. De armen moeten het met de afdankers doen. Tenminste, zo was het ooit. Maar steeds vaker loopt de route andersom.</strong></p>
<p>Aan de vooravond van de financiële crisis opent in de wijk Queens in New York een nieuwe bank zijn deuren. Het is geen gewone bank voor gewone klanten, maar een filiaal van de Grameen Bank uit Bangladesh. Het bedient New Yorkers uit de wijk die leven onder de Amerikaanse armoedegrens. Bij gewone banken vallen ze buiten de boot, bij Grameen krijgen ze een microkrediet om een bedrijfje te starten. In drie jaar tijd opent Grameen Amerika nog drie kantoren en groeit het klantenbestand tot ruim vierduizend.<span id="more-665"></span></p>
<p>In diezelfde periode brengt GE Healthcare, producent van medische apparatuur, een nieuw apparaat op de markt: een draagbare ECG-machine. Bij DuPont Medical Group in Illinois vinden ze het een uitkomst. Gezondheidswerkers nemen het mee de wijken in, naar verpleeghuizen en bedlegerige patiënten. Het apparaat is bovendien tachtig procent goedkoper dan een standaardmachine. Niet alleen het formaat en de prijs, ook herkomst is bijzonder: de draagbare ECG-machine is ontwikkeld door Chinese ingenieurs, bedoeld voor het Chinese en Indiase platteland.</p>
<p>Grameen Amerika en de draagbare ECG-machine zijn voorbeelden van omgekeerde innovaties: producten en diensten hun sporen bewijzen in ontwikkelingslanden, voordat ze geïndustrialiseerde wereld veroveren. De Amerikanen bedachten er zelfs een naam voor: <em>trickle up </em>innovaties. Ze volgen een andere route dan de meeste vernieuwende vindingen. Die komen uit Amerika, Europa of Japan, zijn voorzien van de laatste hightech snufjes, kosten klauwen met geld en druppelen veel later in verouderde of versimpelde vorm door naar arme landen. Bij <em>trickle up</em> innovaties gaat het precies andersom. Zij worden ontwikkeld in landen als China, India en Brazilië, speciaal voor mensen met een kleine beurs, aangepast aan de lokale gewoonten, behoeftes, materialen en infrastructuur. Pas wanneer ze in ontwikkelingslanden goed lopen, vinden ze hun weg naar het Westen.</p>
<p>Soms gaat het om slimme producten. Zo bracht Nokia vorig jaar een telefoon op de markt met krachtige speakers. Ze hadden gezien hoe jongeren in Ghana en Marokko handsets deelden om samen naar gesprekken te luisteren. De telefoon was bedoeld voor de Afrikaanse markt, maar ook Amerikaanse jongeren zagen het toestel helemaal zitten. Soms gaat het om slimme diensten. Zo maakt microfinanciering, groot geworden in Azië, een opmars in Amerika en Europa. In ons land kunnen minvermogende ondernemers voor een microkrediet terecht bij Qredits en Eigen Baas. En soms gaat het om slim organiseren. Dat doet bijvoorbeeld Aravind Eye Care in India. De Aravind oogklinieken voeren staaroperaties uit vanaf honderd dollar, een fractie van de Europese prijs. Het prijsverschil zit niet alleen in de lagere salarissen van de oogartsen, maar vooral in de uiterst efficiënte manier waarop de kliniek wordt gerund. Inmiddels laten Nederlandse gezondheidswetenschappers uit door de Aravind-methode inspireren.</p>
<p><strong>Verwend</strong></p>
<p>Twee vragen doemen op bij deze <em>trickle up</em> innovaties. De eerste is of de Westerse wereld wel zit te wachten op producten uit ontwikkelingslanden. Zijn we niet te zeer verslingerd aan hightech snufjes en verwend door individueel maatwerk? Wil een Amsterdammer straks wel een Tata Nano rijden, de spotgoedkope auto die nu India verovert? Willen we ons wel laten opereren in een oogkliniek die aan de lopende band patiënten behandelt? Een tweede vraag is of die innovaties voor de armen wel werken in het Westen. Kun je zomaar een microkredietgroep starten in New York, alsof het een dorp in Bangladesh is?</p>
<p>Het groeiende aantal succesverhalen lijkt in elk geval te wijzen op een groeiende markt voor <em>trickle up</em> innovaties. Die krijgt allereerst een push in ontwikkelingslanden zelf. In landen als China, India en Brazilië stijgen de inkomens en ontstaat zoiets als een beginnende middenklasse. De behoefte aan diensten en producten is groot, maar de koopkracht is nog altijd een fractie van die in het Westen. Daardoor ontstaat veel vraag naar sobere, maar kwalitatief hoogwaardige producten. Onderzoek en ontwikkeling is in Azië dan ook <em>booming business.</em> Xerox, producent van kopieerapparaten, heeft zelfs twee mensen in dienst die het Indiase subcontinent afstruinen. Ze zoeken naar uitvindingen en producten van Indiase starters, die interessant kunnen zijn om aan te passen aan de Amerikaanse markt.</p>
<p>Een tweede push ligt in het Westen. Overheden staan voor gigantische bezuinigingsoperaties en een vergrijzende bevolking. Dat is een goed moment om te kijken of, bijvoorbeeld, de gezondheidszorg goedkoper kan. Ook de consument let op zijn uitgaven, nu de economische crisis hem in de beurs treft. Bovendien heeft een groeiende groep mensen genoeg van hightech snufjes en een overdaad aan functies op simpele gebruiksartikelen. Het Amerikaanse blad <em>Wired</em> sprak vorig jaar van een <em>good enough technology</em>-revolutie. Meer is niet altijd beter. Kijk naar Netbook, het succesvolle, goedkope broertje van de laptop. Het haalde zijn inspiratie uit ‘One laptop per child’, een organisatie die laptops maakt voor schoolkinderen in ontwikkelingslanden. Maar ook in het Westen blijkt een markt te zijn voor een eenvoudige draagbare computer.</p>
<p>Zowel de opkomende middenklasse in arme landen als de bezuinigende middenklasse in rijke landen geven een push aan de ontwikkeling van sobere, maar functionele producten. Vorig jaar kondigde General Electric aan dat het voor 2015 drie miljard dollar gaat investeren in het ontwikkelen van minimaal honderd innovaties in de gezondheidszorg. Die moeten de kosten drukken, de toegang verbeteren en de kwaliteit van de zorg verhogen. De vernieuwingen zijn zowel bedoeld voor markten in ontwikkelingslanden als in het Westen.</p>
<p><strong>Groepslening</strong></p>
<p>Een tweede vraag is of deze sobere innovaties in het Westen net zo goed werken als hier. Het antwoord daarop lijkt minder eenduidig. Grameen Amerika hanteert exact dezelfde methode als in Azië: microkredieten worden verstrekt aan groepen, die elkaar elke week treffen. “Onze microkredietprogramma’s slagen overal ter wereld’, zegt Grameen op zijn website. “We hebben het model van groepsleningen niet veranderd. Het enige verschil is de hoogte van het bedrag.”</p>
<p>Maar een wereldwijde toepasbaarheid van <em>trickle up</em> innovaties lijkt niet vanzelfsprekend. Heel wat minder succesvol dan Grameen America is Opportunity New York City, een sociaal programma voor arme gezinnen. Opportunity New York is geïnspireerd op het succesvolle Braziliaanse Bolsa Familia-programma. Dat houdt in dat arme gezinnen een kleine uitkering krijgen, wanneer ze zich aan een aantal afspraken houden. Bijvoorbeeld dat ze hun kinderen naar school sturen en hen laten vaccineren. Ook New Yorkse gezinnen kregen een kleine toelage wanneer ze, bijvoorbeeld, op tijd naar de tandarts gingen, geld spaarden of een examen haalden. Maar in New York vielen de resultaten tegen. Slechts een klein deel van de groep die een toelage kreeg, veranderde daadwerkelijk zijn leefwijze.</p>
<p>Waarom het Opportunity New York in Amerika minder aansloeg dan in Brazilië, werd niet helemaal duidelijk. Maar het lijkt erop dat veel <em>trickle up</em> innovaties, net als de traditionele <em>trickle downs</em>, lokale aanpassingen nodig hebben om goed te werken. Daarom zag Qredits in Nederland, in tegenstelling tot Grameen in New York, af van het model van groepsleningen: de Nederlandse doelgroep van startende ondernemers gedijt prima bij een individuele aanpak. Daarom zal Tata Nano in Europa niet precies dezelfde auto op de markt brengen als in India. De Europese versie wordt een licht <em>upgraded</em> model. Daarmee hoopt de goedkoopste auto ter wereld de Amsterdamse grachtengordel te veroveren.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2011/03/wat-van-ver-komt-is-handig/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Van kaasschaaf naar botte bijl</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2011/03/van-kaasschaaf-naar-botte-bijl/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2011/03/van-kaasschaaf-naar-botte-bijl/#comments</comments>
		<pubDate>Sat, 05 Mar 2011 07:06:16 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=659</guid>
		<description><![CDATA[Vice Versa, maart 2011
Wat doe je wanneer je in een jaar tijd een kwart minder te besteden hebt? Vice Versa vroeg het de directeuren van de ‘grote drie’ in de ontwikkelingswereld: Oxfam Novib, Cordaid en ICCO. Wat doet de bezuiniging met hun organisatie? En met de band met de overheid?
De overheidsbezuiniging op ontwikkelingsorganisaties is een [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Vice Versa, maart 2011</em></p>
<p><strong>Wat doe je wanneer je in een jaar tijd een kwart minder te besteden hebt? Vice Versa vroeg het de directeuren van de ‘grote drie’ in de ontwikkelingswereld: Oxfam Novib, Cordaid en ICCO. Wat doet de bezuiniging met hun organisatie? En met de band met de overheid?<span id="more-659"></span></strong></p>
<p>De overheidsbezuiniging op ontwikkelingsorganisaties is een <em>blessing in disguise</em>. Dat vindt een aantal deelnemers aan de discussie <em>So you think you can help?</em> op de website van Vice Versa. Te lang en te gemakkelijk leefden ontwikkelingsorganisaties van belastingcenten. Dat maakte hen afhankelijk, en daar moeten we van af. Bovendien moet de verantwoordelijkheid voor ontwikkelingswerk niet hier, maar in het Zuiden liggen. Hoog tijd dat ontwikkelingsorganisaties hun werk anders gaan organiseren. Deze bezuiniging is een duw in de goede richting. Pijnlijk op de korte termijn, maar uiteindelijk beter voor iedereen. Of ligt het toch niet zo simpel?</p>
<p>Dat de bezuiniging erin hakt, daarover is iedereen het eens. “Historisch gezien is dit de grootste terugval uit onze geschiedenis”, zegt bestuursvoorzitter Marinus Verweij van ICCO. Zijn organisatie moet het in 2011, wanneer het nieuwe medefinancieringstelsel (mfs) van kracht is, met ruim een derde minder doen. Ook bij Cordaid slinkt het budget met ruim een derde, bij Oxfam Novib met een kwart. “Dat soort percentages leent zich niet meer voor een kaasschaaf”, zegt Verweij.</p>
<p>Onverwacht was de klap allerminst. Ruim een jaar geleden liet toenmalig minister Bert Koenders al weten dat organisaties in het nieuwe mfs-stelsel maximaal 106 miljoen euro per jaar zouden krijgen. Voor de ‘grote drie’, Oxfam Novib, Cordaid en ICCO, was dat veel minder dan ze totnogtoe ontvingen. Ze vroegen het maximumbedrag aan, maar hoorden in november dat er voor hen tientallen miljoenen minder in de pot zat. Enkele weken later volgde een natrap: de nieuwe staatssecretaris Ben Knapen besloot om nog eens 50 miljoen per jaar extra te korten op maatschappelijke organisaties. Voor ‘de grote drie’ betekent dit dat ze mogelijk 7 tot 9 miljoen euro extra moeten inleveren.</p>
<p>“Radicaal”, noemt Marinus Verweij van ICCO de huidige bezuinigingsoperatie. “Dit jaar komt maar liefst 30 procent van de totale bezuiniging van het kabinet voor rekening van ontwikkelingssamenwerking.” Vooral de aanvullende bezuiniging van 50 miljoen roept verontwaardiging op. “Onfatsoenlijk”, vindt directeur Farah Karimi van Oxfam Novib. “We worden opnieuw gekort, terwijl onze mfs-aanvraag 88 van de 100 punten haalde. Wat blijft er over van het hele beoordelingssysteem? Het zou toch kwaliteit en innovatie belonen? Het is de ene kaasschaaf na de andere.”</p>
<p>“Een politieke begroting”, vindt directeur René Grotenhuis van Cordaid. “Het kabinet houdt vol dat het een bezuinigingsoperatie is. Maar dat klopt niet. Je krijgt tranen in de ogen van de mooie woorden van Ben Knapen over het belang van de <em>civil society</em>. Maar ik zie het niet terug in zijn beleid.”</p>
<p><strong>Vernieuwing</strong></p>
<p>De manier waarop het kabinet bezuinigt wekt verontwaardiging en onbegrip. Maar de directeuren zullen het ermee moeten doen. De vraag is hoe. Welke keuzes maken ze, nu ze van het ene op het andere jaar 25 tot 35 procent minder te besteden hebben? Zet het hen aan tot ingrijpende vernieuwingen, zoals een aantal bloggers op <em>So you think you can help</em> suggereert?</p>
<p>Allerminst, zeggen de directeuren eensgezind: met vernieuwing waren ze allang bezig. Zo verplaatste ICCO de afgelopen jaren een groot deel van het kantoor in Utrecht naar regiokantoren in het Zuiden. De verantwoordelijkheid voor de programma’s verschoof naar regionale raden, ‘Utrecht’ kreeg minder te vertellen, en dat was ook precies de bedoeling. Oxfam Novib verzette eveneens de bakens. Al vanaf 2008 concentreert Oxfam Novib zich op minder thema’s en minder landen, vooral fragiele staten. Binnen Oxfam International wordt het werk bovendien beter verdeeld. Internationale Oxfams voegden hun landenprogramma’s samen. India en Mexico kregen een ‘eigen’ Oxfam. Bij Cordaid deed het concept van <em>global communities of change</em> zijn intrede: internationale coalities van mensen en organisaties die zich inzetten voor hetzelfde thema, zoals de gevolgen van klimaatverandering. Binnen deze coalities vervagen de scheidslijnen tussen Noord en Zuid, tussen lobby en uitvoering en tussen geldschieter en hulpvrager. Cordaid krijgt steeds meer de rol van adviseur en netwerkpartner, en minder die van financier.</p>
<p>De bezuiniging zelf verandert niets aan de gekozen routes. Maar het plaatst de organisaties op korte termijn wel voor forse dilemma’s. Want 40, 50 of 60 miljoen euro schrappen in je programma’s, dat doe je niet zomaar. Waar ga je wat weghalen? Vertrek je Mali of Mexico? Stop je met steun aan verkrachte vrouwen in Congo? Of zet je een streep door een programma voor kleine boeren in Nicaragua?</p>
<p>Cordaid en Oxfam Novib kozen voor het terugschroeven van het aantal landen. Zo stopt Oxfam Novib in Latijns-Amerika. De thema’s blijven echter overeind. “We kiezen er niet voor om daarin te schrappen”, zegt Farah Karimi van Oxfam Novib. “Maar we vragen ons nog meer af: ‘waar kunnen wij als Oxfam Novib een verschil maken?” De nadruk komt te liggen op economische programma’s – landbouw, handel, private sector &#8211; en het thema ‘recht op sociale en politieke participatie’. Op toegang tot onderwijs en basisvoorzieningen zal Oxfam Novib relatief veel korten. “We zullen de bouw van scholen niet meer ondersteunen”, zegt Karimi. “Dat kunnen anderen ook. We zoeken niches, zoals onderwijs in seksuele en reproductieve rechten voor meisjes. Dat zijn innovatieve programma’s, gericht op het verbeteren van kwaliteit van onderwijs.”</p>
<p>Een vergelijkbare koers volgt Cordaid. Cordaid vertrekt uit acht landen, waaronder Zuid-Afrika, Brazilië en Suriname. In een aantal landen schrapt Cordaid programma’s. Zo verdwijnt ‘gezondheid’ in Zambia en Tanzania en ‘ondernemen’ in Kameroen en Ethiopië. “Binnen onze thema’s gaan we scherper kijken naar wat we precies doen”, zegt René Grotenhuis. “We werken binnen gezondheidszorg bijvoorbeeld aan <em>home based care</em>: zorg vanuit de lokale gemeenschap voor mensen met hiv/aids. Daar gaan we op focussen. Daarnaast werken we veel met <em>performance based financing</em>: achteraf betalen van zorginstellingen, op basis van behaalde resultaten. Ook dat trekken we verder door.”</p>
<p>Waarschijnlijk gaan de meer algemene programma’s verdwijnen, bijvoorbeeld algemene ondersteuning van ziekenhuizen of producenten. In plaats daarvan zal Cordaid kiezen voor specifieke programma’s. Grotenhuis: “Binnen  gezondheidszorg is <em>home based care</em> daar een voorbeeld van. In ons ‘ondernemen’-programma concentreren we ons op kleine en middelgrote boeren, die hun positie op de lokale markt willen verbeteren.”</p>
<p><strong>Mes</strong></p>
<p>Minder landen, meer focus. Dat is in een notendop de manier waarop Oxfam Novib en Cordaid het bezuinigingsmes gaan hanteren. Bij ICCO ligt het iets anders. De organisatie stak de afgelopen jaren veel energie in het optuigen van regiokantoren in het Zuiden. Een eerste reflex, zegt Marinus Verweij, was om in een of meer regio’s te stoppen. “Je begint te denken zoals Buitenlandse Zaken: ‘we hakken er een regio af’. Daar hebben we serieus over gedacht. Maar we hebben nét zoveel in de regio’s geïnvesteerd. Dat gooi je niet zomaar weg. De regio’s zelf zeiden: ‘Geef ons een kans om op eigen benen te staan’. Zij adviseerden ons om er thematisch naar te kijken. Een programma voor het Amazonegebied loopt door landen heen. Dus wanneer je gaat snijden, doe het dan in thema’s, niet in landen.”</p>
<p>Concreet zal ICCO zich toespitsen op steun aan boeren en kleine ondernemers in ontwikkelingslanden. De nadruk ligt op het ‘opschalen’ van kleinschalige bedrijfsactiviteiten naar mkb-niveau. Daarnaast blijft de inzet voor gemarginaliseerde en gediscrimineerde groepen een speerpunt. Een aantal ICCO-thema’s zullen echter verdwijnen. Zo gaan ‘onderwijs’ en ‘gezondheidszorg’ naar Edukans en Prisma, waarmee ICCO een alliantie vormt. In het Utrechtse kantoor sluit bovendien de afdeling lobby en advocacy. De lobbytaak wordt onderdeel van het werk van een nieuw op te richten pool van  programmaspecialisten.</p>
<p>Die laatste keuze lijkt opmerkelijk. Is belangenbehartiging in Nederland niet de belangrijkste taak die overblijft, wanneer je verantwoordelijkheden naar het Zuiden verlegt? Marinus Verweij vindt van niet: “Wij zien het niet als onze taak om in Utrecht een lobbykantoor op te richten. Onze kracht ligt in het werken aan de basis. Daar zetten we op in. Het betekent bovendien niet dat we niets aan lobby zullen doen: het is de bedoeling dat de lobbytaak vooral in de regio’s wordt opgebouwd. Bovendien hoeven we als grote organisaties niet precies hetzelfde te doen. Oxfam Novib kiest misschien wel voor nadruk op campagnes. Dat is hun speerpunt, het past beter bij hen dan bij ons.”</p>
<p>De bezuiniging maakt in elk geval de speerpunten scherper. Dat is op lange termijn wellicht een winstpunt. Op korte termijn zorgt het echter vooral voor commotie. “Het hele decentralisatie-traject is in een soort turbo-stand gekomen”, zegt Verweij van ICCO. “De regio’s moeten veel sneller op eigen benen staan dan gepland.” Ook de <em>communities of change</em> van Cordaid zitten onbedoeld in een snelkookpan. “Werken in <em>communities of change</em> heeft tijd nodig”, zegt Grotenhuis. “Het levert altijd spanning op: wie heeft de macht? Hoe gaan we samenwerken? Idealiter werk je via <em>trial and error</em>. Je gaat eerst op één plek kijken of zo’n community werkt, dan probeer je het op drie andere plekken. Nu moeten we op tien plekken tegelijk starten. We zullen niet de kans hebben om de lessen van pilots te verwerken en nieuwe <em>communities</em> met eerdere ervaringen te verrijken.” Volgens Grotenhuis nemen daardoor de risico’s toe: “Er is een grotere kans dat enkele <em>communities</em> niet van de grond komen. De kans op mislukken wordt groter.”</p>
<p><strong>Nekslag</strong></p>
<p>De komende tijd krijgen de partners de eerste klappen. Contracten met tientallen organisaties in het Zuiden worden opgezegd of teruggeschroefd. Sommige van hen zullen de klap goed kunnen opvangen, voor anderen zal het de nekslag betekenen. De directeuren hopen hun partners te kunnen steunen bij het zoeken naar nieuwe financiering. Maar het enorme tempo van de bezuiniging maakt dat moeilijk. Vooral de onverwachte extra bezuiniging van 50 miljoen laat daar nauwelijks ruimte voor open. “Er is geen tijd voor overdracht, voor afronding, voor steun met fondsenwerving”, zegt Farah Karimi van Oxfam Novib. “We moeten nu tegen onze partners zeggen: over twee of drie maanden krijg jij geen geld meer. Niet omdat jij het niet goed doet, maar vanwege een politiek besluit in Nederland.”</p>
<p>Een mogelijk nog grotere zorg is de reorganisatie binnenshuis. Bij Oxfam Novib en ICCO vallen gedwongen ontslagen, Cordaid vreest ervoor. Bij ICCO is de situatie het meest heftig. De organisatie heeft nét een enorme reorganisatie achter de rug, waarbij 108 van de 230 banen in Utrecht verdwenen. Komende tijd moeten er nog eens 33 banen weg. Daar komt bij dat ICCO zich niet op zo’n grote tegenvaller had voorbereid. “We gingen uit van de 106 miljoen die we hadden aangevraagd”, zegt Marinus Verweij. “Natuurlijk wisten we dat het minder kon worden. Maar met zo’n grote bezuiniging hadden we geen rekening gehouden.”</p>
<p>Dat betekent dat de bezuinigingsoperatie bij ICCO na de uitslag nog grotendeels in de steigers moest worden gezet. Nog niet alle medewerkers weten of ze hun baan zullen behouden. Had ICCO zich niet in een eerder stadium op een teleurstellende uitslag moeten voorbereiden? “Dat is praten met de wijsheid van achteraf”, vindt Verweij. “We zaten in een moeilijke fase. We hadden net een reorganisatie achter de rug. En we hadden een wisseling in het bestuur gehad: op 1 november, de dag van de uitslag, ben ik Jack van Ham opgevolgd. Achteraf ben ik tevreden over het verloop. We hebben advies ingewonnen bij de regionale raden. Zij hebben inhoudelijke inbreng gehad, en dat heeft de kwaliteit van de plannen verbeterd. Maar daardoor kost het ook meer tijd.”</p>
<p>De andere organisaties hadden zich beter op een teleurstelling voorbereid. Op de dag van de mfs-uitslag riep Farah Karimi de medewerkers van Oxfam Novib in de kantine bijeen om het bezuinigingsplan uit de doeken te doen. “We hadden al een <em>worst case scenario</em> gemaakt”, zegt Karimi. “We wisten precies wat we bij welke uitslag zouden doen.” Uiteindelijk zullen bij Oxfam dit jaar 48 banen verdwijnen, waarvan de meeste via natuurlijk verloop. De directie levert 14 procent van zijn salaris in.</p>
<p><strong>Losser van de overheid</strong></p>
<p>Is de bezuiniging een <em>blessing in disguise</em>? Vooralsnog overheerst de pijn van het snijden. Voor de langere termijn zien de voorvrouw en -mannen echter wel degelijk een lichtpunt: ze zullen losser komen te staan van de overheid. En dat is precies wat ze willen. “De overheid draait ons steeds meer de duimschroeven aan”, zegt René Grotenhuis. “We zijn steeds minder autonoom, en steeds meer onderaannemer van het buitenlands beleid.”</p>
<p>Jarenlang waren de directeuren van ontwikkelingsorganisaties vaste gast bij ministers en topambtenaren, om samen na te denken over het beleid. Aan deze speciale band is een einde gekomen, en daarmee kunnen de directeuren leven. Maar dat het kabinet zo fors op hun sector bezuinigt, is moeilijker te verkroppen. “Ik begrijp de regering niet”, zegt Grotenhuis. “Ze zeggen zich te baseren op het WRR-rapport. Daarin staat dat maatschappelijke organisaties een niche zijn. Knapen pakt het echter niet op als prioriteit.” Volgens Grotenhuis gaat het niet alleen om geld: “Wanneer Knapen bezuinigt, maar tegelijkertijd op andere manieren laat zien dat hij maatschappelijke organisaties belangrijk vindt, dan kan ik verder praten. Maar dat gebeurt niet.”</p>
<p>De drie directeuren wijzen bovendien fijntjes op het feit dat Knapen in zijn vorige rol, als lid van de WRR, andere woorden sprak dan nu. Onder leiding van Knapen kwam het jongste WRR-rapport, <em>Aan het buitenland gehecht</em>, tot stand. Farah Karimi: “In dat rapport schrijft Knapen dat de wereld verandert. Internationale samenwerking vindt volgens hem plaats in een hybride wereld. Hij beveelt de regering aan om goed samen te werken met niet-statelijke actoren, zoals onze organisaties. Als auteur van het WRR-rapport zegt hij: de overheid moet dat faciliteren. Als staatssecretaris verzwakt hij juist de sterke positie van Nederlandse organisaties.” Kortzichtig, volgens Karimi: “Hij vindt het belangrijk dat maatschappelijke organisaties sterker worden. Dan moet hij dat ook financieren. Wij leveren kwaliteit. Wij zijn niet alleen vragers, wij hebben ook veel te bieden.”</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2011/03/van-kaasschaaf-naar-botte-bijl/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>&#8220;Obama komt in tijdnood&#8221;</title>
		<link>http://www.mirjamvossen.com/2011/01/obama-komt-in-tijdnood/</link>
		<comments>http://www.mirjamvossen.com/2011/01/obama-komt-in-tijdnood/#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 18 Jan 2011 17:46:23 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.mirjamvossen.com/?p=635</guid>
		<description><![CDATA[IS, december 2010
Amerika zou meer en betere ontwikkelingshulp geven, beloofde Barack Obama tijdens zijn verkiezingscampagne. Maar na zijn aantreden bleef het stil. Té stil vindt Sarah Jane Staats van het Center for Global Development in Washington.
 Het gonsde in de Amerikaanse ‘ontwikkelingswereld’ van de hooggespannen verwachtingen toen Barack Obama twee jaar geleden aantrad als president. [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><a style="font-weight: bold;" href="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/01/Sarah-Jane.jpg"><img class="alignright size-thumbnail wp-image-639" title="Sarah Jane" src="http://www.uitgeverijwereldpodium.nu/mirjamvossen.com/wp-content/uploads/2011/01/Sarah-Jane-150x150.jpg" alt="Sarah Jane" width="150" height="150" /></a><em>IS, december 2010</em></p>
<p><strong>Amerika zou meer en betere ontwikkelingshulp geven, beloofde Barack Obama tijdens zijn verkiezingscampagne. Maar na zijn aantreden bleef het stil. Té stil vindt Sarah Jane Staats van het Center for Global Development in Washington.</strong></p>
<p><strong> </strong>Het gonsde in de Amerikaanse ‘ontwikkelingswereld’ van de hooggespannen verwachtingen toen Barack Obama twee jaar geleden aantrad als president. Als senator had Obama zich sterk gemaakt voor verhoging van de Amerikaanse ontwikkelingshulp. Bovendien schiep de Afrikaanse afkomst van de jonge president hoop. Zou hij ontwikkelingssamenwerking beter op de kaart zetten? Zou hij de reputatie van Amerika als <em>stingy donor</em>, vooral gericht op het eigenbelang, kunnen verbeteren?<span id="more-635"></span>Sara Jane Staats van het Center for Global Development (CGD), een denktank in Washington, kan zich opwinding van twee jaar geleden nog levendig herinneren. Jarenlang werkte Staats voor ontwikkelingsorganisaties. Nu is ze <em>policy advisor</em> bij het CGD, waar ze onderzoek doet naar het Amerikaanse beleid voor ontwikkelingshulp. In Nederland is het CGD vooral bekend van de <em>Commitment to Development Index</em>, een scorelijst die prestaties van landen op gebied van ontwikkelingshulp vergelijkt. Nederland staat sinds jaar en dag hoog in de lijst, Amerika bungelt altijd onderaan.</p>
<p>Het CGD pleit dan ook vurig voor een ander Amerikaans buitenlandbeleid. In het boek <em>The White House and the World</em>, dat rond de presidentsverkiezing verscheen, noemt het CGD het Amerikaanse ontwikkelingbeleid hopeloos verouderd, ineffectief en niet toegerust voor de uitdagingen van deze tijd.</p>
<p><strong>Wat is er mis met de Amerikaanse ontwikkelingshulp? </strong></p>
<p>“Te veel geld gaat nu naar het oplossen van problemen, in plaats van het voorkomen daarvan. In Pakistan hebben we de afgelopen tien jaar een miljard dollar uitgegeven aan militaire hulp. Een deel van dat geld hadden we beter kunnen besteden aan onderwijs, plattelandsontwikkeling en het opbouwen van democratische instituties. Ook de uitvoering kan beter. Amerikaanse hulp bestaat nu uit een lappendeken van projecten en programma’s, verspreid over meer dan twintig overheidsdepartementen. Niemand heeft er goed zicht op. Door die versnippering hebben we ook onvoldoende kijk op de resultaten van wat we doen. We weten niet goed wat werkt, en wat niet.”</p>
<p><strong>Obama is halverwege zijn eerste termijn als president. Wat heeft hij waargemaakt van zijn beloften om de Amerikaanse ontwikkelingshulp te moderniseren?</strong></p>
<p>“Sinds de verkiezingen gaat het heel erg langzaam. Obama heeft het budget voor hulp iets verhoogd. Hij lanceerde twee nieuwe initiatieven om de armoede aan te pakken: <em>Feed the World</em> en het <em>Global Health Initiative</em>. En in september, tijdens de internationale top over de millenniumdoelen, ontvouwde hij zijn grote visie voor het toekomstige ontwikkelingsbeleid. Maar over de nieuwe plannen wordt vooralsnog vooral gepraat: wat wordt het budget? Wie gaat het uitvoeren? Er is nog geen cent naar Afrika gegaan. Halverwege de eerste termijn van Obama zitten we nog grotendeels in de discussiefase.”</p>
<p><strong>Velen verwachtten dat Obama door de economische crisis op ontwikkelingshulp zou bezuinigingen. Waarom is dat niet gebeurd? </strong></p>
<p>“Het hulpbudget is in Amerika onderdeel van het budget voor nationale veiligheid. En dát budget bleef gespaard. Daardoor hebben de bezuinigingen ook ontwikkelingshulp niet geraakt. Buitenlandse hulp staat in Amerika nog altijd sterk in het teken van ‘9/11’: ontwikkelingshulp is belangrijk in de strijd tegen terrorisme, de verspreiding van besmettelijke ziekten, illegale migratie en andere nare zaken die de grens over kunnen. Het is een heel reactief beleid. Maar het is voor politici gemakkelijk te verkopen. Want hoe leg je anders uit aan de belastingbetaler dat je geld uitgeeft aan iets ver weg, terwijl je thuis de resultaten niet ziet? Amerikaanse ontwikkelingshulp is altijd gekoppeld zijn aan nationale belangen. Dat wordt onder Obama niet anders.”</p>
<p><strong>In september, tijdens de millenniumtop in New York, maakte Obama zijn nieuwe visie op ontwikkelingshulp bekend. Wat is hij van plan? </strong></p>
<p>“Obama erkent dat ontwikkelingssamenwerking meer is dan buitenlandse hulp. Ook ons beleid voor handel, investeringen, migratie en energie treft arme landen. Dat is echt een ommekeer in het Amerikaanse denken.</p>
<p>Obama gaat ook meer nadruk leggen op economische groei in arme landen. Hij erkent bovendien dat Amerika niet alles alleen kan doen. Dat wijst erop dat hij beter wil samenwerken met andere landen en internationale organisaties.</p>
<p>Ten slotte wil Obama meer nadruk leggen op de impact van de Amerikaanse hulp. Dat betekent bijvoorbeeld dat we niet alleen tellen hoeveel scholen er zijn gebouwd, maar ook meten wat kinderen werkelijk hebben geleerd.”</p>
<p><strong>Na twee jaar ‘Obama’ constateert u dat zijn nieuwe plannen nog niet van de tekentafel zijn gekomen. Waarom duurt het zo lang? </strong></p>
<p>“Dat heeft te maken met de organisatie van Amerikaanse ontwikkelingshulp. De uitvoering daarvan is versnipperd over meer dan twintig departementen. De belangrijkste is USAID, het ontwikkelingsagentschap van de overheid. Maar de positie van USAID is de afgelopen jaren uitgehold. President Bush vond dat buitenlandse hulp ook thuishoorde bij andere departementen, zoals het Pentagon en Buitenlandse Zaken. Hij hevelde veel taken over. Voor nieuwe initiatieven, zoals zijn presidentiële aidsbestrijdingsprogramma, tuigde hij nieuwe organisaties op. USAID kreeg steeds minder te vertellen.</p>
<p>Het gevolg van die versnippering is dat het buitengewoon moeilijk is om veranderingen door te voeren. Het Congres – de Eerste en Tweede Kamer – heeft nu zeer veel macht. Het Congres bepaalt hoeveel geld er naar welk land en naar welk onderwerp gaat. Wanneer het Congres wil dat er, bijvoorbeeld, meer aandacht is voor water in Ghana, dan gebeurt dat. Dat heeft vaak meer te maken met persoonlijke voorkeuren van Congresleden, dan met duurzame ontwikkelingsdoelen.”</p>
<p><strong>Wat betekent dat voor landen die hulp van Amerika ontvangen? </strong></p>
<p>“Zij zien dat USAID bijzonder weinig manoeuvreerruimte heeft. Wanneer Ghana bijvoorbeeld zou zeggen: ‘wij willen geen water, maar wegen’, dan kan USAID dat niet leveren. Ook de enorme fragmentatie van Amerikaanse hulp is voor ontvangende landen heel verwarrend. Het ene overheidsdepartement gaat over aids, het andere over de rest van de gezondheidszorg. Voor economische groei moeten ze bij weer een ander ministerie aankloppen. Er is geen centraal aanspreekpunt.”</p>
<p><strong>Wat doet Obama daaraan? </strong></p>
<p>“In zijn nieuwe visie belooft Obama dat hij de positie van USAID zal versterken. Maar voorlopig gebeurt er heel weinig. Hij heeft er een jaar over gedaan om een nieuwe directeur voor USAID aan te stellen. De organisatie heeft nauwelijks slagkracht. Obama gaat bovendien door met het optuigen van eigen vlaggenschepen: <em>Feed the Future</em> en het <em>Global Health Initiative</em>, twee nieuwe presidentiële programma’s voor armoedebestrijding, worden buiten USAID om georganiseerd.”</p>
<p><strong>In Nederland is ontwikkelingshulp een partijpolitiek issue. ‘Links’ is doorgaans voor het behoud van het budget, terwijl ‘rechts’ pleit voor verlaging. Is er in Amerika sprake van een vergelijkbare tweedeling tussen democraten en republikeinen?</strong></p>
<p>“Nee, die is er niet. President Bush heeft veel gedaan voor ontwikkelingshulp. Hij heeft het budget verhoogd, hij heeft programma’s gelanceerd voor aidsbestrijding en economische groei in goed bestuurde landen, en hij heeft meer nadruk gelegd op het halen van resultaten. Dankzij Bush is er zowel bij de democraten als de republikeinen een sterk draagvlak ontstaan voor ontwikkelingshulp.</p>
<p>Grote veranderingen in het ontwikkelingsbeleid hangen in Amerika niet zozeer af van wie er aan de macht is. Belangrijker is het feit of de regering en het parlement in handen zijn van dezelfde partij. Dat was het geval toen Bush het hulpbudget fors verhoogde. En dat was tot nog toe het geval voor de regering-Obama.”</p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong>De Democraten verloren in november hun meerderheid in het Huis van Afgevaardigden, de Amerikaanse Tweede Kamer. Wat betekent dat voor de hulp? </strong></p>
<p>“Het gevaar is dat ontwikkelingshulp dan wel een partijpolitiek issue wordt. De republikeinen zullen zich tegen elke hervorming keren. Niet zozeer omdat ze tegen ontwikkelingssamenwerking zijn, maar omdat ze oppositie willen voeren. Ik heb nog altijd goede hoop dat Obama in zijn missie gaat slagen. Ik hoop dat buitenlandse hulp minder wordt gedomineerd door veiligheidsbelangen. Ik hoop dat er een sterke USAID komt, dat beter kan inspelen op de behoeften van arme landen. Ik hoop dat we een samenhangend buitenlandbeleid krijgen, zodat we het effect van onze hulpdollars niet langer teniet doen door hoge importtarieven op producten uit arme landen. Maar het zal steeds moeilijker worden voor Obama. Zijn tijd raakt op om nog echte veranderingen teweeg te brengen.”</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.mirjamvossen.com/2011/01/obama-komt-in-tijdnood/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
	</channel>
</rss>

